Home > Bestuursrecht > Uitleg Raad van State over onttrekking wederrechtelijk verkregen voordeel en het samenhangcriterium uit de Wet Bibob
Uitleg Raad van State over onttrekking wederrechtelijk verkregen voordeel en het samenhangcriterium uit de Wet Bibob

Uitleg Raad van State over onttrekking wederrechtelijk verkregen voordeel en het samenhangcriterium uit de Wet Bibob

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:215) staat de vraag centraal of de burgemeester van Amstelveen een aangevraagde drank- en horecavergunning en exploitatievergunning terecht heeft geweigerd. Deze vergunningen zijn aangevraagd door een bedrijf (hierna: “de aanvrager”) ten behoeve van de overname van een bestaand restaurant. Persoon A is leidinggevende van het restaurant en ook enig bestuurder en grootaandeelhouder van de aanvrager. Daarnaast is persoon A via tussenbedrijven organisatorisch betrokken bij een coffeeshop.

Standpunt burgemeester
De burgemeester heeft zijn weigeringsbesluit gebaseerd op een advies van het Landelijk Bureau Bibob (hierna: “het Bureau”). In dit advies heeft het Bureau geconcludeerd dat “ernstig gevaar” bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om (a) op geld waardeerbare voordelen te benutten die uit strafbare feiten zijn verkregen of te verkrijgen; en (b) om strafbare feiten te plegen (de zogenoemde “A- en B-grond” uit artikel 3 lid 1 sub a en b van de Wet Bibob).

Oordeel rechtbank
De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester. Volgens de rechtbank mocht de burgemeester, gelet op het Bibob-advies, ervan uitgaan dat de aanvrager terecht in relatie is gebracht met overtredingen van de Opiumwet en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (“Awr”). Nu de gevraagde vergunningen het mogelijk maken om deze strafbare feiten te plegen, is de rechtbank van oordeel dat ter zake van beide overtredingen is voldaan aan het samenhangcriterium (artikel 3 lid 3 sub a van de Wet Bibob).

De aanvrager betwist dat sprake is van “ernstig gevaar”. Ten eerste voert de aanvrager aan dat zij door executoriale beslagen op haar panden en op die van persoon A niet over het wederrechtelijk verkregen voordeel kan beschikken. Volgens de aanvrager heeft de rechtbank miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2721) volgt dat het voordeel ook kan zijn weggenomen zonder dat de feitelijke betaling al heeft plaatsgevonden. Beslaglegging ter hoogte van de verschuldigde betaling is hiervoor reeds voldoende. Ten tweede bestrijdt de aanvrager dat ter zake van de overtredingen van zowel de Opiumwet als de Awr aan het samenhangcriterium is voldaan.

Oordeel Afdeling
Toetsingskader bestuursorgaan
Verwijzend naar haar uitspraak van 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:818) zet de Afdeling allereerst het toetsingskader voor de burgemeester uiteen: een bestuursorgaan mag, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

Wederrechtelijk verkregen voordeel
De Afdeling zet vervolgens een streep door de stelling van de aanvrager dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is weggenomen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2226) overweegt de Afdeling dat voordeel dat is behaald met criminele activiteiten in beginsel deel blijft uitmaken van het vermogen, zolang dit niet door bijvoorbeeld een ontnemingsmaatregel aan het vermogen is onttrokken. Dat executoriaal beslag is gelegd op de panden van de aanvrager en persoon A, maakt niet dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aan het vermogen is onttrokken. De Afdeling vervolgt dat deze zaak niet op één lijn kan worden gesteld met de door de aanvrager aangehaalde zaak waarop de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015 betrekking heeft, nu in die zaak beide opgelegde ontnemingsmaatregelen waren voldaan. Anders dan de aanvrager stelt, volgt uit deze uitspraak niet dat de beslaglegging op zichzelf reeds leidt tot het feitelijk ontnemen van het voordeel.

Samenhangcriterium
Wel geeft de Afdeling de aanvrager gelijk dat ter zake van de overtreding van de Opiumwet niet aan het samenhangcriterium is voldaan. Blijkens zijn advies heeft het Bureau het ernstig vermoeden dat persoon A in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld, gebaseerd op de vondst van ongeveer 42 kg softdrugs in de kelder van een onderneming van persoon A.

Uit het advies van het Bureau en hetgeen in dit verband ter zitting bij de Afdeling is gesteld, blijkt dat in de kelder van de onderneming de voorraad voor de coffeeshop lag opgeslagen. Op de datum van de vondst van de softdrugs was de coffeeshop ook een onderneming van persoon A. De Afdeling oordeelt dat deze overtreding dermate is verweven met de exploitatie van een coffeeshop en in dit geval zo ver is verwijderd van een exploitatie als van het restaurant, dat in dit geval niet is voldaan aan het samenhangcriterium. Een tik op de vingers van de rechtbank en het Bureau.

Dit “succes” kan de aanvrager uiteindelijk echter niet baten. Daar waar de overtreding van de Awr betreft, oordeelt de Afdeling namelijk dat wel aan de eis van samenhang is voldaan. De Afdeling komt tot de slotsom dat de rechtbank terecht, maar deels op onjuiste gronden, heeft geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een “ernstig gevaar” als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a en b Wet Bibob. Al met al heeft de burgemeester de aangevraagde vergunningen dus terecht geweigerd.

Belangrijke les
Deze uitspraak benadrukt nog maar eens het belang dat een bestuursorgaan (in deze zaak de burgemeester) zelfstandig een zorgvuldig oordeel moet vellen over de conclusies en de daaraan ten grondslag liggende feiten zoals gepresenteerd in Bibob-adviezen. In het licht van de wettelijke vergewisplicht mag een bestuursorgaan niet “klakkeloos” uitgaan van de juistheid van deze conclusies. Er behoort een gemotiveerd oordeel op maat te volgen die uitdrukking geeft aan een deugdelijke belangenafweging. De weigering om tot vergunningverlening over te gaan, kan immers grote financiële en maatschappelijke gevolgen hebben voor burgers en (hun) bedrijven.

Wilt u meer weten over de toepassing van de Wet Bibob? Neem contact op met Jelmer Keur, advocaat sectie Overheid & Vastgoed.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen