Home > Onteigening en gedoogplichten > Belemmeringenwet privaatrecht: over schade als gevolg van het rijksinpassingsplan
Belemmeringenwet privaatrecht: over schade als gevolg van het rijksinpassingsplan

Belemmeringenwet privaatrecht: over schade als gevolg van het rijksinpassingsplan

De Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) voorziet in volledige schadeloosstelling. Op welke manier moet deze worden vastgesteld? In een recent arrest oordeelde het gerechtshof Den Haag daarover.

Standpunten partijen; procedure kantonrechter

Aan de rechthebbenden tot een perceel is een gedoogplicht opgelegd ten behoeve van een door TenneT aan te leggen – en inmiddels aangelegde – hoogspanningslijn. De eigenaar en huurders van het perceel vorderden een schadevergoeding van TenneT. Zij maken aanspraak op  een bedrag van € 537.290,65 aan schadevergoeding en een bedrag van € 107.290,65 aan kosten van deskundige en rechtskundige bijstand. De eisers baseerden hun vorderingen  op artikel 14 BP.

TenneT erkende dat zij aan de eisende partij een schadeloosstelling was verschuldigd, maar was het niet eens met het gevorderde bedrag.

De kern van het geschil betreft de vraag of de omvang van de schadevergoeding op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (al dan niet naar analogie) moet worden gebaseerd op de uitgangspunten bij onteigening en of de schadevergoeding ook een vergoeding omvat voor planschade.

De kantonrechter had een deskundige benoemd om advies uit te brengen over de schadeloosstelling. De deskundige kwam tot de conclusie dat de BP geen recht geeft op schadevergoeding analoog aan onteigening en evenmin op een tegemoetkoming in planschade. Verder heeft de deskundige van de berekening van de schade toekomstschade uitgezonderd omdat deze – anders dan bij onteigening – later nader kan worden gevorderd.
De deskundige heeft de schade begroot met als uitgangspunt dat de schade uitsluitend bestaat uit de nadelen die ontstaan als gevolg van het moeten gedogen van de aanleg en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding. Daarbij was de bestemming “hoogspanningsleiding II” van de onderliggende strook (en dus ook de waardevermindering van die strook die optrad op het moment dat die bestemming werd gevestigd en de aanspraak op tegemoetkoming in de schade die daarmee samenhangt) al een gegeven. De schade als bedoeld in de BP bestaat dus uit de op geld gewaardeerde nadelen die de eisers ondervinden als gevolg van de aanleg en van de instandhouding van het werk.  Op basis van het advies van deze deskundige heeft de kantonrechter TenneT veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.635,- met wettelijke rente vanaf 6 december 2012. Het gevorderde bedrag aan kosten van deskundige en rechtskundige bijstand heeft de kantonrechter als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

De eisende partijen hebben beroep ingesteld.

Procedure bij het hof

Het standpunt van de eisende partijen is dat de schadeloosstelling volgens de BP moet worden begroot aan de hand van het instrumentarium van de Onteigeningswet en dat zij recht hebben op een vergoeding voor waardevermindering van hun grond, ook als die waardevermindering voortvloeit uit het rijksinpassingsplan.

Het Hof volgt de deskundige en vindt dat voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in de schade als gevolg van het rijksinpassingsplan (exclusief) de weg open staat van artikel 6.1 Wro. De schade waarvoor een schadeloosstelling op grond van artikel 3 juncto artikel 14 BP kan worden gevraagd, is uitdrukkelijk beperkt tot schade die een gevolg is van de aanleg en instandhouding van een werk in de zin van de BP. Voor een uitbreiding van de schade tot waardevermindering van de grond als gevolg van het rijksinpassingsplan is in het recht geen steun te vinden. Dat in de praktijk TenneT op grond van een met de Staat gesloten planschadeovereenkomst ook de planschade vergoed, vindt het Hof niet van belang. Nu er geen sprake is van onteigening in de zin van de Onteigeningswet is er evenmin grond de schade te begroten aan de hand van of naar analogie aan de Onteigeningswet. De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel van de Invoeringswet Omgevingswet biedt geen steun voor een dergelijke analoge toepassing. Het Hof noemt het voorbeeld van de eliminatieregel van artikel 40c aanhef en sub 3° Ow . Deze uitzondering (eliminatieregel) is zonder (geldende) wettelijke grondslag niet toe te passen op de regels voor schadeloosstelling onder de BP. In de rechtspraak tekent zich geen ontwikkeling af die kan worden gekenmerkt als een anticipatie op het overbruggen van deze (veronderstelde) breuk.

TenneT had nog toegelicht dat in vroegere tijd werken van openbaar nut niet in alle gevallen eerst planologisch werden verankerd, maar op enig moment werden aangelegd. In die gevallen kon de waardevermindering worden veroorzaakt door de aanleg en instandhouding van het werk en niet door een plan. Dat brengt volgens het Hof niet mee dat in de huidige tijd, waarin een werk niet zonder voorafgaande planologische verankering wordt aangelegd, geen verweer zou kunnen worden gegrond op de exclusiviteit van de regeling in artikel 6.1 Wro voor de vergoeding van planschade. Kortom, voor de planschadecomponent kunnen de eisers geen vordering instellen op grond van de BP, maar moeten zij een verzoek om een tegemoetkoming in planschade indienen.

Ingangsdatum wettelijke rente

De eisers krijgen wel gelijk met hun klacht over de ingangsdatum van de wettelijke rente. De kantonrechter had de wettelijke rente laten ingaan op de datum waarop de werkzaamheden op het terrein waren afgerond. Met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de regeling met betrekking tot wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding in afdeling 10 van Titel 1 Boek 6 BW overweegt het hof dat aansluiting kan worden gevonden bij de uitleg van deze regeling in het geval van een onrechtmatige daad. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is bepalend de vraag op welk moment de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Dat is op het tijdstip waarop de schade wordt geleden of in verband met de wijze van schadebegroting geacht moet worden te zijn geleden. Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisatie tot uitgangspunt genomen peildatum.

De deskundige had de nadelen als gevolg van het moeten gedogen van de aanleg van het werk door TenneT begroot voor de periode van zeven weken waarin de gehele strook door TenneT voor de aanlegwerkzaamheden zou worden gebruikt; schade als gevolg van het moeten gedogen van de instandhouding van het werk zal volgens de deskundige alleen optreden bij eventuele toekomstige calamiteiten. De schade als gevolg van de aanleg van het werk wordt in feite geleden naar mate dat werk in de loop van de periode van zeven weken vordert. Het hof stelt het moment van opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van schade op het midden van die periode van zeven weken.

Geen vergoeding kosten van deskundige en juridische bijstand

Ook het oordeel van het Hof over de vordering tot vergoeding van kosten van deskundige bijstand en rechtsbijstand (in totaal ruim € 105.000,-) is interessant. Het Hof overweegt dat geen sprake is van onteigening en dat de regeling in de Onteigeningswet over de vergoeding van kosten dus niet geldt. Bij gebreke van een specifieke regeling in de BP dient aansluiting gezocht te worden bij de regeling in artikel 6: 96 lid 2 BW. De eisers hadden niet gespecificeerde declaraties overgelegd, zodat hun vordering niet voldoende was onderbouwd.

Heeft u vragen over onteigening of gedoogplichten? Belt u met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, specialisten onteigening en gedoogplichten van Dirkzwager.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen