Home > Onteigening en gedoogplichten > Wet openbaarheid van bestuur: Afdeling verduidelijkt “misbruik-jurisprudentie”
Wet openbaarheid van bestuur: Afdeling verduidelijkt “misbruik-jurisprudentie”

Wet openbaarheid van bestuur: Afdeling verduidelijkt “misbruik-jurisprudentie”

In twee recente uitspraken verduidelijkt de Afdeling bestuursrechtspraak de rechtspraak met betrekking tot misbruik van de Wob. In mijn eerdere blogs heb ik al stil gestaan bij de inmiddels welbekende Afdelingsuitspraken van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:413). In deze uitspraken bepaalde de Afdeling in de kern dat het gebruik van de Wob, met als uitsluitend doel het incasseren van dwangsommen en/of een proceskostenveroordeling, onder omstandigheden ‘misbruik van bevoegdheid’ kan opleveren in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In twee recente uitspraken van (onder meer) 27 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3580; ECLI:NL:RVS:2017:3581) en 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:44) heeft de Afdeling meer duidelijkheid gegeven over de omstandigheden die misbruik van recht door een Wob-verzoek opleveren.

De zaken van 27 december en 10 januari in het kort

In de uitspraak van 27 december 2017 had de Stichting Onafhankelijk Mobiliteitsadvies (SOM) verzocht om openbaarmaking van informatie over aan haar opgelegde verkeersboetes. De verzoeken waren door de korpschef afgewezen omdat SOM, gelet op haar procesgedrag, misbruik van een bevoegdheid zou hebben gemaakt. Het daartegen gemaakte bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard en ook de rechtbank besliste tot niet-ontvankelijkverklaring.

In de uitspraak van 10 januari 2018 werd het Wob-verzoek “ingezet” om informatie te verkrijgen ten behoeve van het beroep tegen een verkeersboete. Het bezwaar en beroep tegen de afwijzende beslissing van de minister op dit verzoek, werd ook in dit geval niet-ontvankelijk verklaard.

Oordeel Afdeling

De Afdeling oordeelt in beide uitspraken dat sprake is van misbruik van recht en dat het beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe overweegt de Afdeling allereerst dat de bevoegdheid om ingevolge artikel 3 van de Wob informatie over stukken die betrekking hebben op een opgelegde verkeersboete op te vragen niet bedoeld is om binnen het kader van een tegen de boete ingestelde procedure informatie betreffende de boete te verkrijgen. Een dergelijk verzoek strekt niet ter bevordering van een goede en democratische bestuursvorming. Het belang van beide uitspraken is gelegen in de volgende overweging van de Afdeling:

“Thans is de Afdeling van oordeel dat in beginsel ook misbruik van de Wob wordt gemaakt indien om informatie over een verkeersboete wordt verzocht en het doel van het verzoek redelijkerwijs slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboete. Dit geldt te meer indien een dergelijk verzoek is gedaan door een rechtzoekende of een gemachtigde die blijk heeft gegeven veelvuldig procedures tegen het opleggen van een verkeersboete te hebben gevoerd en derhalve geacht moet worden ter zake over de nodige kennis en ervaring te beschikken, zodat een dergelijk verzoek niet anders dan tegen beter weten in is gedaan.”

Deze overweging van de Afdeling laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ook indien het doel van het Wob-verzoek slechts gelegen is in het aanvechten van de verkeersboete, wordt in beginsel misbruik van de Wob gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling is een verzoek op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of artikel 11, vierde lid, of artikel 19, vierde lid, van de Wahv (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) de aangewezen weg om ten behoeve van het aanvechten van een verkeersboete informatie betreffende de boete te verkrijgen. Op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb is het immers mogelijk dat een belanghebbende afschriften van “op de zaak betrekking hebbende stukken” ontvangt.

Nu in beide uitspraken geen omstandigheden waren aangevoerd die het aanwenden van de Wob desondanks rechtvaardigen, was er volgens de Afdeling sprake van misbruik van recht en was het beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De door de Afdeling gekozen benadering komt ook terug in nog recentere uitspraken. Ik wijs bijvoorbeeld op een uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:104.

Conclusie

Uit recente rechtspraak van de Afdeling blijkt dat niet alleen sprake is van misbruik van recht indien het Wob-verzoek wordt ingediend om een dwangsom dan wel proceskostenvergoeding te “scoren” maar ook indien het doel van het Wob-verzoek slechts is gelegen in het aanvechten van een verkeersboete. In dat geval kunnen stukken worden opgevraagd op grond van artikel 7:18, vierde lid Awb. De interessante vraag is natuurlijk of dit alleen geldt voor verkeersboetes of ook voor andere aangevochten besluiten.

Wilt u meer weten? Bel of mail gerust met Roos Molendijk

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen