Home > Overheid > Het intrekken van een ontheffing op grond van de Wegenverordening: welke belangen kunnen daaraan ten grondslag worden gelegd?
Het intrekken van een ontheffing op grond van de Wegenverordening: welke belangen kunnen daaraan ten grondslag worden gelegd?

Het intrekken van een ontheffing op grond van de Wegenverordening: welke belangen kunnen daaraan ten grondslag worden gelegd?

Voor deze vraag zag de Afdeling zich gesteld in een uitspraak van 20 december jongstleden.

Wat was er aan de hand?
Aan (de rechtsvoorganger van) Gasunie is in 1959 een vergunning verleend voor het leggen van een gasleiding. Bij besluit van 20 mei 2015 (hierna ook: het intrekkingsbesluit) heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) de verleende ontheffing ingetrokken en tegelijkertijd een nieuwe ontheffing verleend voor het (ver)leggen van gasleiding op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wegenverordening provincie Fryslân (hierna: Wegenverordening). Deze verlegging is nodig voor de realisatie van een slenk (i.e. een natte verbindingszone). Deze verbindingszone dient de worden gerealiseerd omdat het onder verantwoordelijkheid van het college aangelegde wegtraject “De Centrale As” een gebied doorsnijdt dat behoort tot een gebied aangewezen als ecologische hoofdstructuur (nu: Natuurnetwerk Nederland). Gasunie gaat achtereenvolgens in bezwaar en beroep tegen het intrekkingsbesluit en bestrijdt dat het college de natuur- en landschapsbelangen aan de intrekking van de ontheffing ten grondslag kon leggen.

Oordeel rechtbank
De rechtbank was in eerste aanleg van oordeel dat het college de ontheffing niet had mogen intrekken op grond van de artikelen 1 en 4 van de Wegenverordening, omdat daarmee geen belang zou zijn gediend dat de Wegenverordening beoogt te beschermen. Volgens de rechtbank werd met de verwijdering van de gasleiding geen verkeersbelang gediend maar uitsluitend een natuur- en landschapsbelang. Nu deze belangen al werden beschermd in andere wet- en regelgeving, kon daarin naar het oordeel van de rechtbank geen reden zijn gelegen voor het nemen van het intrekken van de ontheffing.

In beroep bij de Afdeling is uitsluitend de vraag aan de orde of artikel 4 (jo. artikel 1) van de Wegenverordening aan het intrekkingsbesluit ten grondslag kon worden gelegd. Het college vindt van wel, nu op grond van artikel 1, tweede lid, Wegenverordening naast verkeersbelangen ook andere belangen (in dit geval natuur- en landschapsbelangen) mogen worden meegewogen bij het intrekkingsbesluit (het betreft de zogenoemde ‘brede kijk’). Dat de natuur- en landschapsbelangen worden beschermd in andere wetten, maakt dit volgens het college niet anders. In de bescherming van die belangen wordt namelijk niet daadwerkelijk voorzien, aangezien de toepassing van die wetten niet kan leiden tot verlegging van de gasleiding en daarmee niet tot de aanlegging van de slenk.

Oordeel Afdeling
De Afdeling is het met het college eens en oordeelt dat niet enkel verkeersbelangen, maar ook natuur- en landschapsbelangen grondslag kunnen bieden voor intrekking van een ontheffing op grond van de Wegenverordening. Hoewel de bescherming van natuur- en landschapsbelangen in andere wetten is geborgd (zoals bijvoorbeeld de (voormalige) Flora- en Faunawet en de Wet op de ruimtelijke ordening), kunnen deze wetten niet leiden tot het verleggen van de gasleiding en daarmee aanleg van de slenk. Uitsluitend met toepassing van de Wegenverordening kan verlegging van de leiding worden bewerkstelligd, aldus de Afdeling.

Nadeelcompensatie?
De Afdeling oordeelt verder dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door Gasunie gestelde schade, zonder dat daarvoor compensatie wordt geboden, niet in de weg staat aan de intrekking van de ontheffing. In dit verband had Gasunie namelijk betoogd dat het college niet in redelijkheid het belang van de aanleg van de slenk kon laten prevaleren boven het belang van Gasunie bij het ongestoord laten liggen van haar gasleiding. Het college kon volgens Gasunie niet volstaan met verwijzing naar de nadeelcompensatieregeling, omdat op voorhand duidelijk was dat Gasunie geen vergoeding van gemaakte kosten kan verkrijgen op grond van de provinciale nadeelcompensatieregeling. De Afdeling volgt dit betoog van Gasunie niet en oordeelt dat het college voor het schadeaspect heeft kunnen volstaan met het verwijzen naar de nadeelcompensatieregeling.

Heeft u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen? Bel of mail gerust met Hanna Zeilmaker, Joske Hagelaars of Roos Molendijk

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen