Home > Overige > Vernietiging gedoogplicht is onrechtmatige daad waterschap
Vernietiging gedoogplicht is onrechtmatige daad waterschap

Vernietiging gedoogplicht is onrechtmatige daad waterschap

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het waterschap Hollandse Delta onrechtmatig heeft gehandeld door grond van een perceel te verwijderen en elders grond toe te voegen. Voor deze werkzaamheden had het waterschap een gedoogplicht opgelegd, maar deze is door de Afdeling herroepen.

Onrechtmatige daad gegeven

De rechtbank oordeelt dat met herroeping van de gedoogplichtbeschikking de onrechtmatige daad van het waterschap een gegeven is. Achteraf bezien heeft het waterschap zonder recht of titel inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar. Het is aannemelijk dat de eigenaar als gevolg hiervan schade heeft geleden, hetzij in de vorm van te maken kosten voor herstel in de oude toestand, hetzij in de vorm van waardedaling van het perceel.

Het beroep van het waterschap op artikel 6:168 BW wijst de rechtbank af. Dit artikel bepaalt dat de rechter een vordering tot het verbod op een onrechtmatige gedraging kan afwijzen op grond van zwaarwegende belangen. De door het waterschap opgeworpen natuurbelangen zijn onvoldoende zwaarwegend om een inbreuk op het eigendomsrecht te moeten dulden.

De rechtbank overweegt dat uit de afdelingsuitspraak volgt dat het waterschap is aangewezen op onteigening. De schade van de eigenaar is uitsluitend ontstaan als gevolg van de onjuiste keuze van het waterschap, terwijl een juiste keuze en dus rechtmatig handelen mogelijk was.

Misgelopen huurinkomsten

De eigenaar vorderde ook misgelopen huurinkomsten. Die wijst de rechtbank af, omdat daarvan alleen sprake zou kunnen zijn als de eigenaar het perceel in de oude toestand had kunnen verhuren en dit niet is doorgegaan vanwege de wijzigingen in het perceel. Dat is niet gesteld. Wel komen de kosten van herstel van het perceel voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank geeft het waterschap een ruime termijn als zou worden beslist tot veroordeling tot herstel. Aan die veroordeling kan worden ontkomen door een vaststellingsovereenkomst te sluiten waarbij het waterschap het perceel overneemt. De prijs kan dan door een door de rechtbank te benoemen deskundige worden bepaald, of partijen kunnen de rechtbank vragen de prijs vast te stellen. Partijen moeten zich hierover uitlaten.

Plaatsen stuw op grond van Keur

Onderwerp van geschil was ook een in 1997 geplaatste stuw. De rechtbank oordeelt dat het waterschap op grond van de Keur bevoegd was om op grond van peilbesluiten stuwen in watergangen te plaatsen. Hier is dus geen sprake van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht.

Commentaar

Uit de uitspraak blijkt niet waarom het waterschap na de Afdelingsuitspraak niet alsnog is overgegaan tot onteigening. Weliswaar was het werk al uitgevoerd en zou onteigening dus in zoverre niet nodig zijn ter uitvoering van het plan, maar ter voorkoming van de veroordeling tot herstel in de oude toestand was denkbaar geweest dat het waterschap een onteigeningsprocedure op grond van Titel IV (handhaving feitelijke toestand overeenkomstig een bestemmingsplan) zou zijn gestart. Dat is nu ook nog een optie, die niet noodzakelijk is als partijen de door de rechtbank voorgestelde vaststellingsovereenkomst sluiten.

Heeft u vragen over onteigening dan wel gedoogplichten? Belt u met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen