Home > Omgevingsrecht > De provinciale verordening en harde plancapaciteit voor woningbouw
De provinciale verordening en harde plancapaciteit voor woningbouw

De provinciale verordening en harde plancapaciteit voor woningbouw

In een uitspraak van 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1435) oordeelt de Afdeling dat de provinciale verordening niet vereist dat een deel van de beschikbare harde plancapaciteit wordt geschrapt. Er moet slechts worden verantwoord hoe nieuwe capaciteit zich verhoudt tot beschikbare harde capaciteit. De raad heeft het herstelbesluit niet goed gemotiveerd, maar de rechtsgevolgen hiervan worden in stand gelaten.

De tussenuitspraak
De raad van de gemeente Breda heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat voorziet in woningbouw. In deze procedure gaat het om de vraag of voldoende is gemotiveerd hoe de mogelijk gemaakte woningbouw zich verhoudt met artikel 4 van de provinciale Verordening Ruimte 2014 (hierna: de Vordering) die ziet op de beschikbare woningbouwcapaciteit. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de Verordening vereist dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwbouw van woningen in bestaand stedelijk gebied een verantwoording bevat over de wijze waarop de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. De Afdeling oordeelde dat de raad niet (voldoende) inzichtelijk had gemaakt welke aantallen woningen beschikbaar waren gekomen door het anders uitvoeren van de twee andere projecten en in hoeverre het in het voorliggende plan voorziene woningbouwproject van die capaciteit gebruik maakt.

Herstelbesluit
Met het herstelbesluit heeft de raad niet alleen het plan gewijzigd, maar heeft de raad ook een nadere motivering aan het plan ten grondslag gelegd voor zover het gaat om de woningbouwcapaciteit die volgens de raad op twee locaties elders binnen de gemeente niet moet worden meegerekend en deze kan worden ingezet voor de woningbouw in het plangebied. De vrijgevallen capaciteit is volgens de raad harde plancapaciteit.

Locatie 1.
Ten aanzien van de eerste locatie oordeelt de Afdeling dat op deze plek uiteindelijk bij recht geen woningbouw mogelijk was, terwijl dit wel meegenomen was in de woningbouwprogrammering. Dit leidt er toe dat woningbouwcapaciteit die daar aanvankelijk was voorzien, waarvan het voorbereide plan uiteindelijk – mede als gevolg van het faillissement van de betreffende ontwikkelaar – niet in procedure is gebracht, mag worden “ingezet” voor de woningbouw waarin het bestreden bestemmingsplan voorziet.

Locatie 2.
Op de tweede locatie voorziet het betreffende bestemmingsplan in totaal 100 woningen. Ten aanzien hiervan heeft de raad toegelicht dat het plandeel waar 20 woningen mogelijk zijn gemaakt, op dit moment in uitvoering is. Het deel waar 80 woningen mogelijk zijn gemaakt, wordt volgens de raad niet meer in die vorm uitgevoerd omdat deze opzet niet meer aansluit bij de marktvraag naar nieuwe woningen. Het bestemmingsplan is daar nog niet op aangepast, maar de gemeente is eigenaar van de gronden en heeft daarmee zelf de regie over de ontwikkeling van een nieuw bouwplan met minder woningen, aldus de raad. Ook heeft de raad erop gewezen dat hij een grondexploitatie heeft vastgesteld waarin is besloten het aantal woningen op deze locatie met 32 te verminderen, zodat die vrijgekomen capaciteit kan worden ingezet voor de woningbouwlocatie van het in deze procedure bestreden bestemmingsplan.

Oordeel Afdeling
Naar het oordeel van de Afdeling behoren voornoemde 80 woningen – anders dan de raad stelt – nog steeds tot de harde plancapaciteit. De door de raad aan het herstelbesluit ten grondslag gelegde motivering is daarom onjuist. De Afdeling ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten, omdat de raad er bij het nemen van het herstelbesluit van uit is gegaan dat de Verordening vereist dat harde plancapaciteit op andere locaties wordt geschrapt, alvorens nieuwe woningbouw mogelijk wordt gemaakt. De raad heeft geprobeerd te motiveren dat dat in het voorliggende geval ook is gebeurd. De Verordening vereist echter niet dat een deel van de beschikbare harde plancapaciteit wordt geschrapt alvorens nieuwe woningbouw mogelijk wordt gemaakt, nu in de Verordening staat dat in de plantoelichting (slechts) moet worden verantwoord hoe nieuwe capaciteit zich verhoudt tot de beschikbare harde capaciteit. De raad heeft aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat de gemeente zelf eigenaar is van locatie 2 en uitvoering van ontwikkelingen daar zelf in de hand heeft. Ook heeft de raad erop gewezen dat een grondexploitatie is vastgesteld en een overeenkomst met een ontwikkelaar is gesloten die het aantal te bouwen woningen verminderen. Weliswaar is het uitgangspunt van de raad dat op locatie 2 geen sprake meer is van harde plancapaciteit onjuist, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad door te wijzen op de hiervoor genoemde omstandigheden in overeenstemming met de Verordening wel voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de beoogde woningbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Commentaar
De verplichting om nieuwe woningbouwcapaciteit te verantwoorden ten opzichte van bestaande harde capaciteit betekent niet dat laatstgenoemde capaciteit ook daadwerkelijk moet zijn geschrapt. Daar zit dus met een goede motivering ruimte voor het bevoegd gezag. Uiteraard moet dit wel per provinciale Verordening worden beoordeeld, omdat de redactie hiervan per verordening kan verschillen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem contact op met Jasper Molenaar.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen