Home > Omgevingsrecht > Relativiteitsvereiste en de Waterwet
Relativiteitsvereiste en de Waterwet

Relativiteitsvereiste en de Waterwet

In een uitspraak van 25 april 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:2109) wordt aan het relativiteitsvereiste getoetst bij een beroep tegen een watervergunning voor waterkrachtcentrale Borgharen. Het beroep van een appellerende concurrent op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Relativiteit
De Minister stelt dat de normen waarop de appellerende sportvissers zich beroepen niet strekken ter bescherming van de sportvissers. Dit verweer faalt. Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waterwet blijkt dat de rechtsregels uit deze wet niet alleen strekken tot bescherming van de belangen van de ecologische kwaliteit van het watersysteem, maar ook ter bescherming van de maatschappelijke functies van het watersysteem. De Minister heeft niet betwist dat de sportvissers een belang hebben bij de maatschappelijke functie van het watersysteem (de Maas) als viswater.

Correctie op relativiteit?
Ten aanzien van concurrent Eco Energie heeft de Minister eveneens een beroep gedaan op artikel 8:69a Awb. Eco Energie stelt daar tegenover dat op grond van het gelijkheidsbeginsel hierop een correctie moet worden toegepast. Voor een succesvol beroep op dit beginsel is nodig dat een bedrijf daadwerkelijk is benadeeld doordat aan dat bedrijf, in een situatie die wat betreft de geldende wettelijke voorschriften en de feiten voldoende vergelijkbaar is, verplichtingen zijn opgelegd waaraan zijn concurrent als gevolg van de schending van de betrokken norm niet hoeft te voldoen.

Geen schending van het gelijkheidsbeginsel
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van voldoende vergelijkbare gevallen en dat er dus geen aanleiding is om een correctie op artikel 8:69a van de Awb toe te passen. De Minister heeft zich namelijk volgens de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat hij, alvorens de aanvraag van Eco Energie in behandeling te nemen, eerst WKC Borgharen in de gelegenheid heeft gesteld om haar oorspronkelijke aanvraag aan te vullen. De rechtbank stelt overigens vast dat Eco Energie destijds ook niet te kennen heeft gegeven dat zij niet akkoord ging met deze gang van zaken. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag van Eco Energie om deze reden niet (voldoende) vergelijkbaar met de aanvulling die WKC Borgharen op de eerdere aanvraag heeft ingediend.

Materiële toetsing
Inhoudelijk wordt door de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding bestond om artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregel watervergunningverlening waterkrachtcentrales in Rijkswateren (de Beleidsregel), dat verlening van de vergunning mogelijk maakt, onverbindend te verklaren/buiten toepassing te laten. Het vergunningvoorschrift dat maximaal 0.1% vissterfte toestaat, moet strikt worden geïnterpreteerd. Dit volgt uit de tekst van dit voorschrift en uit de Beleidsregel. De StAB heeft, gelet daarop, terecht getoetst aan de hand van een worst case scenario. Conclusie van het advies van de StAB is dat niet met een hoge mate van zekerheid kan worden gegarandeerd dat aan de in de vergunning gestelde norm kan worden voldaan. Het beroep is om die reden gegrond en de vergunning wordt vernietigd.

Tot slot
In de uitspraken van 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3453, ECLI:NL:RVS:2016:3451 en ECLI:NL:RVS:2016:3454) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor het eerst, en tot op heden ook de enige keer, een beroep op het gelijkheidsbeginsel gehonoreerd en een correctie op het relativiteitsvereiste toegepast. In dat verband verwijs ik naar een artikel van mijn kantoorgenoot Willyne van Osch die deze uitspraken becommentarieerd heeft.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen