Home > Bestuursrecht > De lange arm van Bibob
De lange arm van Bibob

De lange arm van Bibob

De wet-Bibob is er om criminele activiteiten in het bedrijfsleven te bestrijden. Vergunningen kunnen worden geweigerd als de aanvrager in het verleden strafbare feiten heeft begaan of er om andere redenen vrees bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt voor strafbare feiten. Dat laatste gaat vrij ver. Een uitspraak van de Raad van State van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1218) toont aan dat de wet-Bibob een machtig wapen kan zijn voor overheden.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Someren weigerden een omgevingsvergunning voor een nieuwe inrichting op een perceel binnen hun gemeente. Daarnaast trokken zij een vergunning van juli 2004 die destijds aan die aanvrager was verleend, in. Het ging om een agrarisch bedrijf met vleesvarkens en opslag en verwerking van bijproducten zoals mest. B&W baseerden die besluiten op een advies van het Landelijk Bureau Bibob. Dat bureau had geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde en de eerder verleende vergunning zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om op geld waardeerbare voordelen die uit strafbare feiten waren verkregen, te benutten (lees: witwassen). In het advies van het Landelijk Bureau was vastgesteld, dat de aanvrager een zakelijk samenwerkingsverband had met een aantal vennootschappen en personen die vermoedelijk strafbare feiten hadden begaan. De aanvrager (klaagster) kwam daartegen in beroep. Hij voerde aan dat er sprake zou moeten zijn van een samenwerkingsverband dat gericht was op het plegen van strafbare feiten. Daarnaast wees zij erop dat zijn bedrijf totaal gescheiden was van die vennootschappen. Tenslotte meldde zij dat, als hij al een zakelijk samenwerkingsverband met die bedrijven had gehad, dit inmiddels was beëindigd. Ook vond zij dat de sanctie onredelijk ver ging.

De Raad van State vond dat de rechtbank terecht heeft onderzocht of er sprake was van een samenwerking die een zeker duurzaam en structureel karakter had. Dat was (kennelijk) het geval. De rechtbank had daarbij geoordeeld dat het niet vereist was dat die zakelijke relatie was gericht op het plegen van strafbare feiten en evenmin dat alle elementen van het zakelijk samenwerkingsverband afzonderlijk een relatie hadden met strafbare feiten. Ook was niet nodig dat de betrokkene in een zodanige relatie tot het samenwerkingsverband stond dat hij daarop invloed en zeggenschap had. Dat het bedrijf van de aanvrager een afzonderlijke entiteit was en dat er een gescheiden bedrijfsvoering was van de overige vennootschappen was ook onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake was van een samenwerkingsverband.

Uit het Bibob-advies was gebleken dat er tussen personen en bedrijven die strafbare feiten hadden begaan zakelijke relaties, familierechtelijke relaties en financieringsrelaties bestaan, of hadden bestaan. De klaagster maakte daarvan onderdeel uit. Over de relatie tussen de klaagster en de vennootschappen die strafbare feiten hadden begaan overwoog de Raad van State verder:

“Uit het Bibob-advies blijkt dat binnen de samenwerkingsverbanden gedurende een lange periode een groot aantal milieudelicten is gepleegd waarmee de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen een zeer groot financieel voordeel hebben behaald. Dat de door appellante zelf begane overtredingen los staan van deze vermoedelijk gepleegde milieudelicten, zoals gesteld en wat daarvan ook zij, laat onverlet dat appellante in relatie staat tot bedoelde strafbare feiten, reeds omdat zij in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot degenen die die strafbare feiten (vermoedelijk) hebben gepleegd, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Voor het oordeel dat de strafbare feiten die zijn gepleegd of vermoedelijk zijn gepleegd door een ander, tot wie appellante in een zakelijk samenwerkingsverband staat, moeten kunnen worden toegerekend aan appellante biedt de wet-Bibob geen grond.”

De Raad van State overweegt verder dat het in de wet-Bibob van belang is of de beoordeelde strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die min of meer overeenkomen met de activiteit waarvoor vergunning is gevraagd of verleend. Dat was hier het geval. De strafbare feiten waren vooral begaan bij varkenshouderijen in verband met handelingen met betrekking tot meststoffen en varkens. De omgevingsvergunningen die waren ingetrokken respectievelijk geweigerd zagen ook op de exploitatie van een varkenshouderij en activiteiten die daarmee in verband stonden zoals transport, opslag en verwerking van mest. Daarom was er voldoende verband.

B&W hadden daarom voldoende grond om te vrezen dat er ernstig gevaar bestond dat de verleende en aangevraagde omgevingsvergunningen door de klaagster zouden worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen geld te benutten of om strafbare feiten te plegen.

Ook de klacht dat B&W bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet tot hun besluit hadden kunnen nemen in verband met de zeer ernstige gevolgen die dat voor het bedrijf zou hebben (namelijk sluiting) werd afgewezen. Daarvoor woog de hoeveelheid strafbare feiten waarmee de appellante in verband kon worden gebracht voldoende zwaar.
Omdat moest worden geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestond tot, kort gezegd misbruik van de vergunning, was er geen reden om over te gaan tot minder ingrijpende maatregelen dan weigering/intrekking van de vergunning. Dat mag namelijk alleen, als er geen sprake is van een ernstig gevaar.

Over de klacht dat de samenwerkingsverbanden inmiddels waren verbroken oordeelde de Raad van State:

“Nog daargelaten dat ook in het verleden bestaande samenwerkingsverbanden in de beoordeling kunnen worden betrokken, heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan appellante gelieerde ondernemingen ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar zijn geliquideerd, gefailleerd dan wel anderszins zijn beëindigd. “

De klachten werden daarom verworpen; de vergunning uit 2004 was terecht ingetrokken en de nieuw aangevraagde vergunning terecht geweigerd.

Conclusie
Wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat verleende of aangevraagde vergunningen zullen worden gebruikt voor strafbare feiten kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken respectievelijk weigeren. Dat zijn zware sancties. Voor de vaststelling van een ernstig gevaar is niet altijd per sé nodig dat de vergunninghouder/aanvrager zelf ernstige strafbare feiten heeft begaan. De betrokkenheid bij een samenwerkingsverband met bedrijven of personen die strafbare feiten hebben begaan, kan voldoende zijn voor die vaststelling. De banden van zo’n samenwerkingsverband kunnen bestaan uit organisatorische, familie- of financiële betrekkingen. Daarmee is de wet-Bibob een krachtig instrument om bedrijfsmatige criminele activiteiten te bestrijden.

Wilt u meer weten over bestuursrecht, ruimtelijke ordening? Neem dan contact op met Maarten Baneke.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen