Home > Bestuursrecht > Bedrijfswoning niet altijd vanzelfsprekend
Bedrijfswoning niet altijd vanzelfsprekend

Bedrijfswoning niet altijd vanzelfsprekend

Een woning bij een eigen bedrijf is vaak aantrekkelijk. Ondernemers vinden het prettig om dicht in de buurt van hun bedrijf te wonen. Bouwgrond op een bedrijventerrein is goedkoper dan in een woonwijk. Een bedrijfswoning kan op een bedrijventerrein worden toegestaan als er een relatie is tussen de woonfunctie en het bedrijf. De meest voorkomende relatie is, dat de bewoner toezicht houdt op de bedrijfspanden buiten de normale bedrijfsuren. Vaak wordt de woning dan wel toegestaan. Maar als omwonenden bezwaar maken, zal er moeten worden aangetoond dat de woning echt noodzakelijk is. Dat lukt niet altijd.

Raad van State 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1005 en Raad van State 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1359.

De raad van de gemeente Borger-Odoorn had een bestemmingsplan vastgesteld waarin uitbreiding van een manege werd toegestaan. Onderdeel van de uitbreiding was ook, dat er een bedrijfswoning bij het bedrijf mocht zijn. Omwonenden maakten bezwaar tegen de uitbreiding omdat zij een uitbreiding van – kennelijk reeds bestaande – hinder vreesden. Ze maakten ook bezwaar tegen de bedrijfswoning. Volgens hen was er geen noodzaak voor toezicht en kon dit, voor zover nodig, ook wel op een andere manier worden gerealiseerd. De raad vond dat toezicht nodig was en wees daarbij op een advies van LTO. Daarin werd vermeld dat toezicht noodzakelijk was in verband met de stalling van paarden en eventuele calamiteiten. Tijdens de behandeling bleek echter, dat de meeste bezoekers van de manege hun eigen paard meenamen en die paarden niet in de manege verbleven. De manege beschikte slechts over een stalling voor 11 paarden. De Raad van State oordeelde dat de gemeenteraad niet aannemelijk had gemaakt dat er geen alternatieve mogelijkheden bestonden voor het houden van toezicht op de gestalde paarden buiten de reguliere bedrijfsuren. Met het oog op een goede en snelle beëindiging van het geschil paste de Raad van State de bestuurlijke lus toe. De raad kreeg de gelegenheid om binnen 20 weken met een betere motivering voor haar besluit te komen (of een ander besluit te nemen).

Circa vier maanden na die uitspraak kwam de raad van de gemeente met een gerepareerd besluit. Daarbij steunde de raad op een inmiddels uitgebracht advies van DLV Advies. In dat advies werd er op gewezen dat de manege voor een deel door vrijwilligers werd gedreven en dat het daarvoor belangrijk was dat er een professionele coördinator in de rol van bedrijfsleider zou zijn, die dagelijks en direct aanwezig was.

De Raad van State vond dat nog steeds onvoldoende. De Raad van State wilde wel geloven dat er een bedrijfsleider op de manege moest zijn, maar was er geenszins van overtuigd dat daarvoor een bedrijfswoning noodzakelijk was. De Raad van State vond dat er niet voldoende was onderzocht of het houden van toezicht op de gestalde paarden buiten de reguliere uren ook op een andere manier zou kunnen dan vanuit een bedrijfswoning op het terrein. (de appellanten hadden erop gewezen dat dit bijvoorbeeld met camera’s in de stallen mogelijk zou zijn).

De Raad van State vond het niet nodig om de gemeenteraad nog een keer de gelegenheid te geven om met een betere motivering te komen en deed de zaak zelf ten gronde af. Het bestemmingsplan werd vernietigd voor zover daarin een bedrijfswoning werd toegestaan.

Conclusie
Camera’s zijn tegenwoordig alom aanwezig en vormen een gebruikelijk middel voor toezicht. De Raad van State heeft het over alternatieve manieren om toezicht te houden, die onvoldoende zijn onderzocht. Als omwonenden de noodzaak van een bedrijfswoning indringend aan de orde stellen, is de enkele motivering dat het wenselijk is om toezicht op het bedrijf te kunnen houden, niet meer voldoende. Wat is dan wel toereikend? Een algemeen antwoord is natuurlijk niet te geven. Denkbaar is dat op een bedrijf dermate gevoelige stoffen of gevoelige dieren aanwezig zijn dat bij een eventuele calamiteit onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is, en de komst van een toezichthouder op afstand niet kan worden afgewacht. Het argument “veiligheid” wordt door een bestuursrechter niet gemakkelijk terzijde gelegd.

Wilt u meer weten over bestuursrecht, ruimtelijke ordening? Neem dan contact op met Maarten Baneke.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Scroll To Top