Home > Bestuursrecht > Gezag van gewijsde geldt niet voor belanghebbendheid
Gezag van gewijsde geldt niet voor belanghebbendheid

Gezag van gewijsde geldt niet voor belanghebbendheid

Stel u komt op tegen een bouwplan. U wordt in bezwaar en beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat u geen belanghebbende zou zijn. In de tussentijd herroept het bevoegd gezag de planologische medewerking aan dat plan én de omgevingsvergunning. Heeft u er in dat geval nog belang bij om de niet-ontvankelijkheid te bestrijden zodat u dit in toekomstige procedures niet kan worden tegengeworpen? De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoord die vraag met een duidelijke “nee” in een uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:942).

Het bouwplan: een retailpark
Het bouwplan voorziet in de oprichting van een retailpark. De appellant is eigenaar van enkele panden in een winkelcentrum dat is gelegen op een afstand van ongeveer 13 km van de locatie waar het retailpark is voorzien. De eigenaar verzet zich tegen realisering van een retailpark, omdat zij vreest hiervan nadeel te zullen ondervinden in haar hoedanigheid van concurrent.

Oordeel rechtbank: geen belanghebbende
De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat de eigenaar niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van het Retailpark. Voor zover de appellant eigenaar is van enkele panden in het winkelcentrum heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet in hetzelfde marktsegment werkzaam is. Voor zover appellant enkele onbebouwde percelen in het winkelgebied Buitenmere in eigendom heeft, heeft de rechtbank geen concreet en actueel belang aanwezig geacht dat rechtstreeks door de omgevingsvergunning wordt geraakt.

Belang bij hoger beroep
De eigenaar betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de omgevingsvergunningen voor de bouw van het retailpark. Zij voert in dit verband aan dat zij ondanks de intrekking van de omgevingsvergunningen belang heeft bij het aanvechten van dit oordeel van de rechtbank, omdat de kans aanwezig is dat op dezelfde locatie een nieuwe vergelijkbare ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De appellant wil met het hoger beroep voorkomen dat het oordeel van de rechtbank over haar belanghebbendheid haar zal worden tegengeworpen bij toekomstige besluiten.

Oordeel van de Afdeling
De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan, dat onder meer voorzag in de ontwikkeling van een retailpark, door het college is ingetrokken. Uit de stukken blijkt dat bij het college twijfel is ontstaan omtrent de uitvoerbaarheid van het plan. Vervolgens heeft het college op verzoek van het Retail Park de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunningen ingetrokken. Daarmee is de grondslag aan het besluit op bezwaar komen te ontvallen.

Nu de omgevingsvergunningen voor de bouw van het retailpark zijn ingetrokken en het retailpark niet zal worden gerealiseerd, bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de tegen de omgevingsvergunningen gerichte gronden. Daargelaten dat, zoals het college ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, in de thans in voorbereiding zijnde nieuwe ontwikkelingsvisie met betrekking tot het gebied niet een met het retailpark vergelijkbare ontwikkeling is opgenomen, kan het oordeel van de rechtbank dat appellante niet als belanghebbende kan worden aangemerkt haar niet worden tegengeworpen in een eventuele procedure tegen een eventueel in de toekomst te verlenen omgevingsvergunning voor een ander project ter plaatse van de gronden waarop het bouwplan was voorzien. De bestuursrechter is in een toekomstige procedure over een ander project niet gebonden aan het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over het ontbreken van belang bij appellante bij de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen voor de bouw van het retailpark, aldus de Afdeling.

Slotsom
De rechtbank had de appellante niet ontvankelijk verklaard. Dat doet de Afdeling niet. Kennelijk acht de Afdeling de appellante wel ontvankelijk, maar wordt bij een gebrek aan belang niet toegekomen aan beoordeling van de in dit verband aangevoerde beroepsgronden. De achterliggende gedachte is dat belanghebbendheid steeds opnieuw bij elk besluit moet worden beoordeeld. Daarbij is de bestuursrechter dus niet gebonden aan een oordeel omtrent belanghebbendheid in eerdere uitspraken. Dat lijkt mij ook in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot belanghebbendheid van belangenorganisaties (zie een uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1813). Uit laatstgenoemde uitspraak volgt dat het mogelijk is dat een algemene belangenorganisatie die eerder is aangemerkt als belanghebbende in een andere procedure niet (meer) aan de vereisten voor belanghebbendheid voldoet, omdat bijvoorbeeld de feitelijke werkzaamheden van die organisatie in de tussentijd zijn veranderd.

Wilt u meer weten over belanghebbendheid bij ruimtelijke besluiten? Neem contact op met Jasper Molenaar.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Scroll To Top