Home > Huurrecht > Analyse eerste bindende uitspraken geschilbeslechting prestatieafspraken
Analyse eerste bindende uitspraken geschilbeslechting prestatieafspraken

Analyse eerste bindende uitspraken geschilbeslechting prestatieafspraken

Sinds de invoering van de nieuwe Woningwet zijn corporaties verplicht om jaarlijks een ‘bod’ uit te brengen met voorgenomen werkzaamheden, inclusief het aantal te verkopen woningen. Hierover kunnen vervolgens concrete prestatieafspraken worden gemaakt met  gemeenten en huurdersorganisaties. Op het moment dat er een geschil is tussen de partijen die het maken van prestatieafspraken in de weg staat, dan kan dat geschil worden voorgelegd aan een onafhankelijke adviescommissie. Op basis van dit advies doet de minister een bindende uitspraak. Op 9 maart 2017 heeft de minister de eerste drie bindende uitspraken gedaan in de gemeenten Leiderdorp, Delft en Zoetermeer. In alle drie de gevallen is de corporatie in het gelijk gesteld. In dit artikel worden de uitspraken geanalyseerd.

Leiderdorp
In het geschil in de gemeente Leiderdorp heeft de commissie geadviseerd de partij Huurders Belangen Organisatie Leiderdorp (HBOL) in het ongelijk te stellen. De minister is hierin mee gegaan. Hij verwijst hierbij naar de overwegingen van de commissie. De commissie is van mening dat er noch in procedureel noch in inhoudelijk opzicht sprake is van een kennelijk onredelijk voorstel van corporatie Rijnhart Wonen. Rijnhart Wonen en Leiderdorp hebben zich namelijk beide ingespannen om tijdig prestatieafspraken tot stand te brengen. Verder heeft de commissie geoordeeld dat inkomensafhankelijke huurverhoging niet slechts mogelijk is indien er extra investeringen worden gedaan. Daarnaast oordeelt de commissie dat er in redelijkheid een bod is gedaan door Rijnhart Wonen dat aansluit op de gemeentelijke woonvisie. Ten slotte is de inkomensafhankelijke huurverhoging volgens de commissie voldoende gemotiveerd.

Delft
In de gemeente Delft heeft de commissie de minister geadviseerd om het verzoek met de daarbij horende wensen van de gemeente Delft af te wijzen. De minister heeft dit advies eveneens opgevolgd, wederom met verwijzing naar de overwegingen van de commissie. In dit geschil is geoordeeld dat zowel de gemeente Delft alsook de Woningbouwvereniging Bergopwaarts zich procedureel onredelijk heeft opgesteld. Bergopwaarts heeft namelijk ten onrechte aangenomen dat zij de gemeente Delft niet hoefde uit te nodigen voor het proces van totstandkoming van de prestatieafspraken. De gemeente Delft heeft op haar beurt ten onrechte eenzijdig prestatieafspraken opgesteld. Wat betreft het inhoudelijk geschil heeft de commissie vastgesteld dat het bod van Bergopwaarts niet onredelijk is. Over de eisen van de gemeente Delft is de commissie van mening dat aan deze eisen niet tegemoet kan worden gekomen. Er moet worden gehandeld conform de eerder gemaakte afspraken omtrent het woningbezit van Bergopwaarts in de gemeente Delft. De eisen van de gemeente Delft staan hierbij niet in verhouding tot het aandeel van Bergopwaarts in de volkshuisvestelijke opgave in Delft.

Zoetermeer
Tot slot volgt de minister ook het advies van de commissie om de gemeente Zoetermeer in het ongelijk te stellen. De commissie stelt in dit geschil dat Vestia een saneringscorporatie is in de zin van artikel 57 Woningwet (‘Ww’) en artikel 112 Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (‘Btiv’). Hierdoor is Vestia gebonden aan het saneringsbesluit. In dit besluit is opgenomen dat de corporatiesector bijdraagt aan de sanering van Vestia.

Verder stelt de commissie dat de bevoegdheid tot toezicht van de naleving van het saneringsbesluit door Vestia is gemandateerd aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (‘WSW’). Vragen omtrent de bijdrage van de Rijksoverheid of de corporatiesector kunnen derhalve niet door de commissie zelf worden beantwoord. Voorts oordeelt de commissie dat Vestia met haar bod een inspanning levert die binnen haar mogelijkheden ligt om bij te dragen aan de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid in Zoetermeer. Vestia werkt onder andere mee aan een regionaal onderzoek ten behoeve van een beter volkshuisvestelijk voorstel.

Rode lijn
Het valt op dat de minister het advies van de commissie in alle drie de zaken opvolgt. De commissie heeft geadviseerd dat een corporatie niet altijd hoeft te voldoen aan de wensen van een gemeente, maar er mag van de corporatie wel een vergaande inspanning worden geleverd om, binnen de bestaande mogelijkheden, aan deze wensen te voldoen. Een bod of voorstel moet uiteindelijk redelijk zijn. Of dit zo is hangt uiteindelijk af van de omstandigheden van het geval. Wat betreft de procedurele kant moeten de prestatieafspraken altijd met beide partijen worden opgesteld, zo luidt het advies. Eenzijdig opstellen van prestatieafspraken is geen mogelijkheid. De minister volgt dit advies.

Heeft u vragen over de bindend advies procedure bij de totstandkoming van prestatieafspraken? Neem contact op met Robert Rijpstra, advocaat huurrecht en gespecialiseerd in de regelgeving voor corporaties.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen