Home > Bestuursrecht > Paardenvlees-affaire krijgt een (paarden)staartje
Paardenvlees-affaire krijgt een (paarden)staartje

Paardenvlees-affaire krijgt een (paarden)staartje

In 2013 was Nederland in de ban van de paardenvlees-affaire. Die affaire kreeg onlangs een staartje. In een uitspraak van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:218) bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin de rechtbank had bepaald dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de namen van afnemers van vlees van vleesgroothandel Willy Selten openbaar moest maken. Twee dagen eerder had het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) ook al een uitspraak (ECLI:NL:CBB:2017:6) met betrekking tot de paardenvlees-affaire gedaan. Deze uitspraak betrof de vraag wat er moet gebeuren met het destijds door de NVWA in bewaring genomen vlees van de vleesgroothandel.

Paardenvlees-affaire
Begin 2013 heeft de NVWA geconstateerd dat de herkomst van het tussen 1 januari 2011 en 15 februari 2013 bij vleesgroothandel Willy Selten verwerkte vlees onduidelijk was. De vleesgroothandel had paardenvlees ingekocht, terwijl in de administratie niet was geregistreerd dat paarden zijn verwerkt. Ook op facturen, pakbonnen en andere documenten was niet vermeld of het bettreffende product paardenvlees bevatte. De NVWA heeft de afnemers van de vleesgroothandel vervolgens gewezen op hun verplichting om de door de vleesgroothandel geleverde vleespartijen te traceren, de daarmee vervaardigde producten uit voorzorg van de markt te halen en hun afnemers te informeren over de producten waarin vlees van de vleesgroothandel is verwerkt. Ook heeft de NVWA in maart en april 2013 vlees in bewaring genomen.

Uitspraak ABRvS
In mei 2013 heeft Foodwatch op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van de gegevens van de afnemers van vlees van de vleesgroothandel. De staatssecretaris van Economische Zaken weigerde dit op grond van artikel 10 lid 2 sub g Wob, omdat het belang van openbaarmaking volgens hem niet opwoog tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de afnemers (door bijvoorbeeld reputatieschade of juridische claims van derden). De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet op grond van artikel 10 lid 2 sub g Wob mocht weigeren de lijst met afnemers openbaar te maken en bepaalde dat de staatssecretaris de lijst binnen zes weken na de uitspraak openbaar moest maken.

De NVWA publiceerde daarop een lijst met ongeveer 1800 afnemers. Eén van die afnemers, een grote producent en leverancier in Europa van halal vleeswaren, ging in hoger beroep. Zij betoogde dat zij door de openbaarmaking onevenredig werd benadeeld, aangezien paardenvlees in halal producten onacceptabel is en iedere associatie van haar naam met paardenvlees haar goede naam en reputatie onherstelbare schade toebrengt. De ABRvS volgde de afnemer niet in dit betoog. De rechtbank had volgens de ABRvS terecht in aanmerking genomen dat sinds de periode waarin de vleesgroothandel heeft gefraudeerd inmiddels enkele jaren zijn verstreken. Maar ook dat bij openbaarmaking bij het publiek onder de aandacht kan worden gebracht dat de omstandigheid dat een bedrijf betrokken is bij het terughalen van vlees niet betekent dat het bedrijf onrechtmatig heeft gehandeld. Gelet daarop is het volgens de ABRvS niet aannemelijk dat de afnemer door openbaarmaking van de lijst met afnemers van de vleesgroothandel onevenredig wordt benadeeld.

Uitspraak CBb
De namen van de afnemers van de vleesgroothandel mochten dus openbaar worden gemaakt, maar wat dient er te gebeuren met het in bewaring genomen vlees? De NVWA had het vlees onder meer in bewaring genomen omdat de herkomst, traceerbaarheid en identificatie van het vlees niet kon worden aangetoond. Ook was uit monstername van als rundvlees gedeclareerde partijen vlees gebleken dat hierin paardenvlees was verwerkt en was de herkomst van het paardenvlees onduidelijk. Uit een monstername was tevens gebleken dat de vleesgroothandel paardenvlees had verwerkt dat de stof fenylbutazon (een geneesmiddel dat gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid van mensen) bevat.

De curator van de inmiddels failliete vleesgroothandel verzocht de NVWA de inbewaarneming in te trekken en aan te geven welke bestemming aan het in bewaring genomen vlees moest worden gegeven. De NVWA wenste niet aan deze verzoeken te voldoen. Het CBb verklaarde het beroep van de curator (deels) gegrond. Reden daarvoor was onder meer dat het CBb, anders dan de NVWA, van oordeel is dat het niet naleven van de verplichting van artikel 18 van Verordening 178/2002 dat levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar moeten zijn, op zichzelf niet betekent dat sprake is van een (vermoeden van een) onveilig levensmiddel als bedoeld in artikel 14 lid 2 van die verordening.

Ook heeft de NVWA nagelaten te onderzoeken in welke partij(en) vlees het besmette paardenvlees terecht is gekomen. Het gegeven dat de vleesgroothandel het vlees van één met fenylbutazon besmet paard heeft verwerkt, is volgens het CBb onvoldoende grondslag voor de aanname van de NVWA dat het vlees van dit paard deel uitmaakt van alle partijen vlees die in bewaring zijn geplaatst. Van belang daarbij is ook dat de NVWA ten onrechte niet gemotiveerd heeft gereageerd op het plan van aanpak van de curator, aan de hand waarvan het met fenylbutazon besmette paardenvlees volgens de curator kan worden afgezonderd van andere partijen vlees. De andere partijen vlees zouden vervolgens in de handel kunnen worden gebracht.

Het CBb heeft de NVWA, mede gelet op het voorgaande, opgedragen binnen twaalf weken opnieuw te beslissen op de bezwaren van de curator tegen de inbewaringsnemingsbesluiten en op de aanvraag van de curator om vrijgave van de vriesvoorraad voor humane consumptie. Wordt dus vervolgd…

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen