Home > Omgevingsrecht > Verwijderen planologische mogelijkheid door middel van wijzigingsbevoegdheid
Verwijderen planologische mogelijkheid door middel van wijzigingsbevoegdheid

Verwijderen planologische mogelijkheid door middel van wijzigingsbevoegdheid

In bepaalde gevallen kan het wenselijk zijn om door middel van een wijzigingsbevoegdheid een planologische mogelijkheid op enig moment te schrappen. Daarbij dringt zich de vraag op wat dan een redelijke termijn is om een ontwikkeling te realiseren. Hiermee worstelde de raad van de gemeente Heerlen. In het bestemmingsplan “Heerlen-Stad Noord” had de raad in de realisatie van een complex met zorgwoningen voorzien. Zowel de ontwikkelaar van die zorgwoningen als de omwonenden hebben tegen dit plan beroep aangetekend bij de Afdeling (uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:99).

Wijzigingsbevoegdheid
De raad had aanvankelijk, gelet op de bevolkingskrimp in de regio Parkstad, voor het betreffende perceel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee kon als aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan de planologische mogelijkheid voor een complex met zorgwoningen worden verwijderd binnen de looptijd van het bestemmingsplan, welke in beginsel tien jaar bedraagt. Vervolgens heeft de raad tijdens de raadsvergadering een amendement aangenomen, waarbij de termijn na ommekomst waarvan toepassing kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid is verkort van twee naar één jaar na het moment van inwerkingtreding van het plan.

De gehanteerde termijn
De omwonenden zijn voorstander van deze wijzigingsbevoegdheid en de daaraan verbonden (korte) termijn. De ontwikkelaar van de beoogde zorgwoningen betoogt bij de Afdeling daarentegen dat de termijn van één jaar te kort is om het (inmiddels vergunde) bouwplan te realiseren. Volgens ontwikkelaar zou tenminste een termijn van twee jaar moeten worden gehanteerd. Ter onderbouwing van de stelling dat de termijn van één jaar niet redelijk is, wijst de ontwikkelaar erop dat zolang de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk zijn de datum van oplevering van de zorgwoningen onzeker is, op grond waarvan marktpartijen geen contracten wensen aan te gaan voor de afname van de zorgwoningen.

Ter zitting heeft de raad erkend dat de bedoelde termijn van één jaar niet redelijk is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de wijzigingsbevoegdheid niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In de tussenuitspraak van 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1812) draagt de Afdeling de raad op om dit gebrek te herstellen.

Reparatie wijzigingsbevoegdheid
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan “Heerlen-Stad Noord – reparatie wijzigingsbevoegdheid” vastgesteld. Hierin is ten opzichte van het eerdere bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheid in een ander artikel van de planregels opgenomen. Verder is daarbij – in plaats van de voorwaarde dat een termijn van één jaar is verstreken na het moment van inwerkingtreding van het plan – de voorwaarde opgenomen dat een termijn van tenminste één jaar is verstreken na het moment dat het plan onherroepelijk is.

De ontwikkelaar kan zich hierin vinden. De omwonenden die opkomen tegen het beoogde zorgcomplex betogen daarentegen dat het argument van de ontwikkelaar – dat marktpartijen geen contracten wensen aan te gaan zolang het bestemmingsplan niet onherroepelijk is – misleidend is. Om die reden was er volgens hen geen noodzaak om de wijzigingsbevoegdheid aan te passen. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat zij zich keren tegen het oordeel in de tussenuitspraak over de wijzigingsbevoegdheid. De Afdeling overweegt hieromtrent dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Verder hebben de omwonenden het college van b&w van Heerlen verzocht tot intrekking over te gaan van de inmiddels aan de ontwikkelaar verleende omgevingsvergunning. Het college van b&w heeft hen bij brief laten weten geen gehoor te geven aan dit verzoek. De Afdeling stelt vast dat het aangevoerde betrekking heeft op de besluitvorming over het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning. Dit kan niet aan de orde komen, omdat deze procedure enkel op het bestemmingsplan ziet.

Eindoordeel
De Afdeling verklaart het beroep van de omwonenden tegen het reparatieplan ongegrond. Dat betekent dat de in de planregels opgenomen “nieuwe” wijzigingsbevoegdheid van kracht blijft. Het schrappen van een planologische mogelijkheid door middel van een wijzigingsbevoegdheid met een kortere termijn dan de reguliere planperiode van 10 jaar is toelaatbaar. Uit de uitspraak is af te leiden dat een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan in beginsel de rechterlijke toetst zou moeten kunnen doorstaan.

Wilt u meer weten over het schrappen van ontwikkelingsmogelijkheden in bestemmingsplannen onder andere door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid? Neem contact op met Jasper Molenaar, advocaat Sectie Overheid & Vastgoed.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen