Home > Onteigeningsprojecten > Conclusie A –G in procedure tussen nertsenhouders en de Staat
Conclusie A –G in procedure tussen nertsenhouders en de Staat

Conclusie A –G in procedure tussen nertsenhouders en de Staat

Op 19 september 2016 heeft de Advocaat-Generaal een conclusie uitgebracht in de cassatieprocedure tussen een aantal nertsenhouders en de Staat. De A-G komt tot de conclusie dat de zaak opnieuw door een gerechtshof moet worden bekeken.

Inleiding

Begin 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. De wet houdt in dat het verboden is om vanaf 15 januari 2013 pelsdieren te houden. Pelsdierhouders die op 1 januari 2014 aan de in de wet genoemde voorwaarden voldoen mogen echter nog tot 1 januari 2024 (de uitfaseringsperiode) hun bedrijf uitoefenen. De voorwaarden houden onder andere in dat de pelsdierhouders niet meer pelsdieren mogen gaan houden en hun bedrijf – behoudens bijzondere omstandigheden – niet mogen verkopen. Vanaf 1 januari 2024 mogen ook bestaande pelsdierhouders hun bedrijf niet voortzetten.

De pelsdierhouders – verenigd in de Nederlandse Federatie Van Edelpelsdierenhouders – zijn het hier niet mee eens en zijn om die reden een procedure begonnen tegen de Staat. Inzet daarvan is de pelsdierhouders de rechter hebben gevraagd de wet onverbindend te verklaren en voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig handelt  door de invoering van de wet.

Oordeel rechtbank en hof

Op 14 mei 2014 heeft  de rechtbank Den Haag de pelsdierhouders in het gelijk gesteld. De rechtbank vond dat de wet geen fair balance inhield tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van het eigendomsrecht van de pelsdierhouders. Volgens de rechtbank kon (op dat moment) niet worden vastgesteld dat de pelsdierhouders een adequate vergoeding zouden ontvangen tegenover de inbreuk op hun eigendomsrecht.

De Staat ging van dit vonnis in hoger beroep. Op 10 november 2015 oordeelde het gerechtshof Den Haag dat er wel voldaan is aan het fair balance vereiste, dat voortvloeit uit het EVRM. Het hof oordeelde dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) – wat de bescherming van het eigendomsrecht regelt – niet voorziet in de bescherming van door bedrijven opgebouwde ‘goodwill’, voor zover die uit iets anders bestaat dan een opgebouwd klantenbestand. Dat betekende volgens het hof dat de nertsenhouders alleen bescherming kunnen ontlenen aan artikel 1 EP voor zover de waarde van hun bedrijfsmiddelen (zoals grond, bedrijfsgebouwen, inventaris, nertsen en voorraden pelzen) als gevolg van de ingevoerde wet wordt aangetast. Met het verlies van toekomstige verdiencapaciteit mag volgens het hof geen rekening worden gehouden.

Volgens het hof heeft de Staat voldoende rekening gehouden met de belangen van de pelsdierhouders door hen, door middel van de overgangsperiode, in staat te stellen hun investeringen (o.a. in dierenwelzijnseisen die op grond van eerdere wetgeving verplicht werden gesteld) terug te verdienen en gedurende de overgangsperiode winst kunnen blijven maken. Bovendien hebben de pelsdierhouders volgens het hof al vanaf 1999 kunnen voorzien dat de pelsdierhouderij op termijn zou worden verboden, zodat zij ruim de tijd (tot 2024) hebben (gehad) om zich daarop in te stellen. Al met al is er volgens het hof geen sprake van een disproportionele inbreuk op de (eigendoms)rechten van de nertsenhouders. Het vonnis van de rechtbank werd daarom vernietigd.

Conclusie A-G

De nertsenhouders zijn van het arrest van het hof in cassatie gegaan. Zij zijn het niet eens met de vaststelling van het hof dat er sprake is van een regulering van eigendom en geen ontneming (onteigening) daarvan. Volgens de nertsenhouders heeft het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hun toekomstige verdiencapaciteit (goodwill) niet beschermd wordt door artikel 1 EP, terwijl die goodwill een belangrijk deel van de waarde van hun bedrijf vertegenwoordigt.

Daarnaast vinden de nertsenhouders dat het gerechtshof hen ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden om aan de hand van hun individuele omstandigheden aan te tonen dat de Wet verbod pelsdierhouderij in hun geval niet voldoet aan het fair balance vereiste.

De Advocaat-Generaal is het voor een groot deel met het gerechtshof eens. Hij vindt dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden afgeleid dat ‘goodwill’ alleen als eigendom wordt beschermd voor zover het een concreet klantenbestand omvat en niet als het ‘slechts’ gaat om toekomstige verdiencapaciteit. Vanuit die gedachte heeft het hof volgens de A-G niet de conclusie hoeven trekken dat de ingevoerde overgangstermijn de schade van de nertsenhouders onvoldoende compenseert.

De A-G vindt echter wel dat het hof de nertsenhouders in de gelegenheid had moeten stellen om te bewijzen dat de overgangstermijn in hun geval helemaal niet schade beperkend werkt en dat zij bovendien niet beschikken over de mogelijkheid om hun eigendommen op een alternatieve manier aan te wenden. Volgens de Advocaat Generaal kan niet worden uitgesloten dat na bewijslevering alsnog moet worden geconcludeerd dat de overgangstermijn onvoldoende effectief is en/of de nertsenhouders onevenredige schade lijden. De A-G adviseert de Hoge Raad dan ook om het arrest van het hof te vernietigen en de zaak te verwijzen.

Heeft u vragen over (on)rechtmatige wetgeving of overheidsaansprakelijkheid? Belt of mailt u met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, advocaten bij Dirkzwager

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen