Home > Onteigening en gedoogplichten > Belemmeringenwet Privaatrecht: na afweging van belangen geen voorlopige voorziening Variohippique
Belemmeringenwet Privaatrecht: na afweging van belangen geen voorlopige voorziening Variohippique

Belemmeringenwet Privaatrecht: na afweging van belangen geen voorlopige voorziening Variohippique

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek van Variohippique om een voorlopige voorziening tegen de opnieuw opgelegde gedoogplicht afgewezen. En wel op basis van een afweging van de betrokken belangen.

Voorgeschiedenis

De Minister had al in augustus 2014 aan VarioHippique een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) opgelegd, tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen op één van de percelen die Vario in ondererfpacht heeft.  Die gedoogplicht was door de Afdeling bestuursrechtspraak in augustus 2015 vernietigd, omdat de Afdeling vond dat de Minister zijn standpunt niet toereikend had gemotiveerd, dat de belangen van VerioHippique redelijkerwijs geen onteigening vorderen. Het ging concreet om het criterium van de bruikbaarheid van de overblijvende gronden voor het beweiden van paarden.  VarioHippique beheert een pensionstal, manege en dressuurstal, met 87 paardenboxen. Die paarden weiden op het perceel waarop het opstijgpunt wordt aangelegd, en op de in de nabijheid gelegen percelen die VarioHippique in ondererfpacht heeft.  In door VarioHippique overgelegde brieven van paardendeskundigen werd toegelicht dat zowel bij de aanleg als bij de instandhouding van het opstijgpunt risico op stress bij paarden bestaat, vanwege het onverwacht optredend coronageluid.

Opnieuw gedoogplicht

De Minister heeft bij besluit van 30 mei 2016 opnieuw een gedoogplicht opgelegd. In dit besluit nam de Minister, op basis van meerdere onderzoeksrapporten, het standpunt in dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs geen onteigening vorderen omdat het niet aannemelijk is dat paarden hinder ondervinden van coronageluid, en het resterende perceelsgedeelte na realisering van de werken bruikbaar blijft voor het beweiden van paarden.

VarioHippique verzoekt om schorsing van het besluit en voert op basis van een recent rapport van juli 2016 aan dat het perceel na realisering van het opstijgpunt niet meer bruikbaar is voor het beweiden van paarden en dat haar belangen onteigening vorderen.

Voorlopig oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter overweegt dat het geschil tussen partijen in de bodemprocedure zich toespitst op de mogelijke gevolgen van coronageluid op het gedrag van paarden die weiden in de nabijheid van het opstijgpunt. Zowel VarioHippique als TenneT hebben hierover deskundigenrapporten ingebracht. In de bodemprocedure moet de vraag worden beantwoord op de minister zijn standpunt, dat de belangen van VarioHippique redelijkerwijs geen onteigening vorderen, mede heeft kunnen baseren op laatstgenoemde rapporten. De beoordeling hiervan vergt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek, en daar leent deze procedure zich niet voor. De vraag of vooruitlopend op de beoordeling in de hoofdzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoordt de voorzieningenrechter daarom aan de hand van een belangenafweging.

Belangenafweging

De voorzieningenrechter overweegt dat de belangen van de minister en TenneT bij voortgang in de realisatie van het opstijgpunt de energievoorziening van de Randstad raken en daarom zwaar wegen. Daartegenover staat het belang van VarioHippique om de bedrijfsvoering te kunnen continueren en gevrijwaard te blijven van schade aan haar eigen percelen en paarden en aan de paarden die aan haar zorg zijn toevertrouwd. Dat geldt voor zowel de fase van uitvoering als de fase na realisatie van het project. De voorzieningenrechter stelt vast dat VarioHippique erin is geslaagd de bedrijfsvoering op het perceel waarop het opstijgpunt in aanbouw ook na het in onbruik raken daarvan medio 2014 te continueren. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de bedrijfsvoering van VarioHippique wordt bedreigd als gevolg van de hervatting van de werkzaamheden aan het opstijgpunt. TenneT is zich bewust van de bijzondere omstandigheden in verband met de bedrijfsvoering van VarioHippique. TenneT heeft aan aantal voorzorgsmaatregelen toegezegd, die eventuele schade moeten voorkomen dan wel zo veel als mogelijk beperken. Bovendien is TenneT bereid tot overleg met VarioHippique over de detailvoering en planning van de werkzaamheden, en voor overleg met VarioHippique over vergoeding van schade en een voorschot op schadevergoeding. Het is dus niet aannemelijk dat VarioHippique in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren wanneer de voorlopige voorziening niet wordt getroffen.

Bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.

Commentaar

In de bodemprocedure zal de Afdeling oordelen over de door VarioHippique en TenneT ingebrachte rapporten. Daarmee zal dan de vraag worden beantwoord of coronageluid afkomstig van een opstijgpunt leidt tot stress bij paarden, of althans dat het risico daarop bestaat.

Daarbij zou de Afdeling ook het aspect van de bruikbaarheid van de resterende gronden als criterium nader moeten bezien, en wel in relatie tot het criterium dat de belangen van VarioHippique wel of geen onteigening vorderen. Ook als op basis van de voorliggende rapportages zou moeten worden geconcludeerd dat stress bij paarden als gevolg van coronageluid aannemelijk is wordt dat probleem niet ‘opgelost’ door onteigening van het perceelsgedeelte waarop het opstijgpunt wordt gerealiseerd. De omliggende gronden worden door deze onteigening immers niet geraakt, en voor de onteigening van het resterende perceelsgedeelte –dat is gelegen buiten de grenzen van het rijksinpassingsplan – zie ik zo geen mogelijkheid.  De eventuele gevolgen voor de bedrijfsvoering van VarioHippique als gevolg van verminderde bruikbaarheid van de omliggende gronden moeten dus sowieso worden opgelost door schadevergoeding. En daarvoor bieden zowel de Onteigeningswet als de BP de instrumenten en kaders. Dat maakt naar mijn oordeel de bruikbaarheid van het overblijvende deel van een perceel (of zelfs van het totale grondoppervlak waarover de rechthebbende kan beschikken) geen bruikbaar – want geen onderscheidend-  criterium voor de afweging of de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen. En al helemaal niet de (verminderde) bruikbaarheid van het overblijvende als gevolg van hinderaspecten.

Heeft u vragen over gedoogplichten of onteigening? Neem gerust contact op met de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager: Hanna Zeilmaker en Joske Hagelaars.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen