Home > Bestuursrecht > Gehuurde transformatoren geen onderdeel netwerk
Gehuurde transformatoren geen onderdeel netwerk

Gehuurde transformatoren geen onderdeel netwerk

Worden transformatoren die zijn gekoppeld aan een elektriciteitsnetwerk onderdeel van dat netwerk? Veranderen zij daardoor van eigenaar? Raakt de verhuurder van transformatoren daardoor zijn eigendom kwijt? Heeft die verhuurder recht en belang bij een opstalrecht?
Dit soort vragen zijn belangrijk voor bedrijven die transformatoren, schakelkasten e.d. verhuren.
In een interessante uitspraak van 5 april 2016 van het gerechtshof Den Haag kwamen dit soort vragen aan de orde.

Geschil over eigendom
Een elektriciteitsnetwerk bestaat uit kabels, in de grond of boven de grond, maar ook uit transformatoren, en vaak ook schakelinstallaties. Die transformatoren en schakelinstallaties kunnen geplaatst zijn door de eigenaar van de kabels, maar het komt ook voor dat die eigenaar transformatoren e.d. huurt van gespecialiseerde bedrijven. Meestal verzorgen die bedrijven dan ook het onderhoud daarvan. In de verhuurcontracten staat vaak dat de huurder, als de verhuurder dat vraagt, moet meewerken aan vestiging van een opstalrecht. Dat is om te voorkomen dat de transformator of schakelinstallatie door “natrekking” eigendom wordt van de grondeigenaar. Soms heeft de eigenaar van de grond van de kabels zijn redenen om niet te willen meewerken aan zo’n opstalrecht. Dat leidde tot een geschil tussen Chemours Netherlands B.V. als grondeigenaar/huurder en Stedin Netbeheer B.V. als verhuurder van transformatoren. Daarover heeft het hof Den Haag op 5 april 2016 uitspraak gedaan.

Stedin eiste dat Chemours zou worden veroordeeld om mee te werken aan een akte tot vestiging van een opstalrecht voor transformatoren die waren geplaatst binnen het netwerk van Chemours.
Chemours verzette zich daartegen en diende een tegeneis in: zij eiste dat de rechtbank Stedin zou opdragen de eigendom van de transformatoren binnen een bepaalde termijn in te laten schrijven in de openbare registers. De rechtbank had de eis van Stedin grotendeels toegewezen en de tegeneis van Chemours afgewezen.

Chemours stelde zich op het standpunt dat de transformatoren, doordat zij gekoppeld waren aan het netwerk en daarvan een onderdeel uitmaakten, haar eigendom waren geworden. Zij voerde daarvoor aan dat de transformatoren een “bestanddeel” van het net waren. Daardoor kon er geen opstalrecht op worden gevestigd waarmee zij zouden worden afgescheiden van het net.

Natrekking
Het hof stelde voorop, dat in een vaststellingsovereenkomst die in het verleden tussen de partijen was gesloten was bepaald, dat de transformatoren eigendom waren van Stedin en door Chemours van Stedin werden gehuurd. Daarna boog het hof zich over art. 5:20, 2e lid BW. Daarin staat dat de eigendom van een net, bestaande uit één of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van energie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net. Het hof overwoog dat dit artikel de bedoeling heeft om te voorkomen dat zo’n net door natrekking eigendom wordt van de eigenaar van de grond waarin het zich bevindt. Volgens het hof heeft deze bepaling geen betrekking op andere goederen dan kabels of leidingen. Het hof concludeerde daaruit dat de bevoegde aanlegger van kabels of leidingen in ieder geval niet op grond van dit artikel door natrekking eigenaar was geworden van de transformatoren.

Daarover zou men ook anders kunnen denken. Uit de parlementaire geschiedenis bij dit wetsartikel blijkt namelijk dat volgens de regering voor de bepaling van de omvang van een elektriciteitsnet de definitie in de Elektriciteitswet bepalend zal zijn. De Elektriciteitswet definieert in art. 1.1 sub i een net als: een of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen onderdeel uitmaken van een directe lijn of liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer.
In beginsel zijn transformatoren volgens de Elektriciteitswet dus onderdeel van het net.
Het hof realiseerde zich dat, maar vervolgde:

Maar uit het vervolg van de passage waarin dit is opgenomen, valt af te leiden dat het daarbij in het bijzonder gaat over het punt waarop het net eindigt en de installatie van de aangeslotene begint. Naar aanleiding van een vraag of met het net verbonden hulpmiddelen worden nagetrokken, verwijst de regering vervolgens naar art. 3:4 van het BW, inhoudende dat al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak is.

Het hof leidde uit de parlementaire geschiedenis dus af dat de regering kennelijk niet had bedoeld dat door de verwijzing naar de Elektriciteitswet de eigendom van transformatoren e.d. op grond van art. 5:20, 2e lid BW overgaat naar de eigenaar van het net.

Verkeersopvattting
De vraag wie eigenaar van de transformatoren is wordt volgens het hof beheerst door art. 3:4 BW: al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. En daarmee hebben die twee zaken dezelfde eigenaar.
Art. 3.4 2e lid BW bepaalt verder dat een zaak die zodanig met een hoofdzaak is verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van die zaken, bestanddeel wordt van de hoofdzaak.

Volgens het hof waren de transformatoren geen bestanddeel van het net geworden. Daarbij wees het hof erop, dat beide partijen het erover eens waren dat de transformatoren te allen tijde op relatief eenvoudige wijze en zonder schade zouden kunnen worden weggehaald.

Dit argument is juist, maar naar mijn idee niet doorslaggevend. De omstandigheid dat de transformatoren zonder beschadiging uit het netwerk kunnen worden verwijderd maakt weliswaar dat zij niet dwingend moeten worden beschouwd als bestanddeel, maar brengt nog niet automatisch mee dat zij “dus” volgens verkeersopvatting geen bestanddeel daarvan zijn.
Een voordeur kan zonder beschadiging uit de sponning worden gelicht, maar vormt wel degelijk een bestanddeel van het huis !

Het hof overwoog verder, dat Stedin zou worden verarmd als Chemours door natrekking eigenaar van de transformatoren zou zijn geworden, welke verarming door niets werd gerechtvaardigd.
Die overweging valt te billijken, maar heeft naar mijn idee niets te maken met de vraag of die natrekking is opgetreden. Verrijking of verarming is nu eenmaal geen criterium dat een rol speelt bij natrekking.

Elektriciteitswet
Ter nadere onderbouwing van zijn oordeel wees het hof er verder nog op, dat ook de Elektriciteitswet er vanuit gaat dat het mogelijk is dat bepaalde delen van een net (in de zin van de Elektriciteitswet) juridisch eigendom blijven van een ander dan degene die de rest in eigendom heeft. Het hof wees daarbij op art. 1, 1e lid, onder aa en op art. 10a Elektriciteitswet. In deze artikelen wordt bepaald dat de netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het door hem beheerde net. Hij hoeft dus niet perse ook te beschikken over de juridische eigendom. Ook op dit argument van het hof valt wel wat af te dingen. De omstandigheid dat de Elektriciteitswet niet vereist dat een netbeheerder juridisch eigenaar is van het net, is naar mijn idee geen relevant criterium voor het antwoord op de vraag of een transformator een bestanddeel van het net is geworden.

Het hof overweegt dat de Elektriciteitswet regulatoir van aard is en niet de bedoeling heeft om de eigendomsverhoudingen te beïnvloeden. De daarin opgenomen (ruime) definitie van een net doet daarom geen afbreuk aan wat volgens verkeersopvattingen met betrekking tot de vraag of er sprake is van een bestanddeel geldt.

Tenslotte eindigt het hof met een overweging, die ik niet kan volgen. Het hof schrijft:

het hof voegt daaraan verder toe dat art. 5:20 BW ertoe strekt te voorkomen dat door verticale natrekking de grondeigenaar, eigenaar wordt van een in op of boven de grond aangebracht net, maar er niet toe strekt door verticale natrekking verandering te bewerkstelligen in de eigendom van met een net verbonden onderdelen die eigendom zijn van anderen dan de bevoegde aanleggers van een net.

Art. 5:20 (bedoeld zal zijn: 2e lid) BW heeft inderdaad de bedoeling om te voorkomen dat de grondeigenaar door verticale natrekking eigenaar wordt van een net dat in de grond is aangebracht. Het artikel beoogt dus juist om verticale natrekking te voorkomen. Niemand beweert dat dit artikel de bedoeling zou hebben om “door verticale natrekking” de eigendom van met een net verbonden onderdelen te wijzigen . Dat was door Chemours ook niet beweerd; Chemours stelde dat de transformatoren een bestanddeel waren van het net. De vraag of een zaak een bestanddeel vormt van een andere (hoofd-)zaak staat los van het leerstuk over natrekking.

Er valt dus wel wat aan te merken op deze uitspraak van het hof.
Het is aan mij op dit moment niet bekend of Chemours cassatie bij de Hoge Raad heeft ingesteld.
De Hoge Raad beoordeelt het recht maar buigt zich niet opnieuw over de feiten. Tenzij de redenering van het hof volstrekt onbegrijpelijk is. Het antwoord op de vraag of iets volgens verkeersopvatting een bestanddeel vormt van een andere zaak, lijkt mij een beoordeling van de feiten. Daarom denk ik dat de kans om met succes in cassatie te gaan gering is.

Dit is de eerste uitspraak van een gerechtshof over deze kwestie.
Er kunnen er meer volgen, van andere gerechtshoven. Het oordeel van het hof Den Haag vormt daarbij natuurlijk een belangrijke richtinggevende uitspraak, ook al hoeft men het niet met alle gehanteerde argumenten eens te zijn.

Maarten Baneke

Maarten Baneke is lid van de vakgroep Energierecht binnen Dirkzwager, advocaten en notarissen

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen