Home > Onteigening en gedoogplichten > Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling
Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling

Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling

Op 1 april 2016 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de vergoeding van de deskundigenkosten in een onteigeningsprocedure en de daarover verschuldigde BTW. Daarmee heeft de Hoge Raad tegelijkertijd een oordeel geveld over de vraag of de BTW over de deskundigenkosten mag worden afgetrokken bij de aangifte omzetbelasting. Lees meer…

Feiten

Ten behoeve van de aanleg van een deel van de Rijksweg A4 worden gronden onteigend die in gebruik zijn voor de exploitatie van een paardenpension. De rechtbank kent aan de onteigende een schadeloosstelling toe van € 14.500,- en oordeelt dat de onteigenende partij, de Staat, een bedrag van ca € 35.000,- aan kosten voor juridische en overige deskundige bijstand moet voldoen. Deze bedragen zijn inclusief BTW. De onteigende stelt beroep in cassatie in, maar dat wordt met toepassing van art. 81 RO verworpen. De Staat stelt incidenteel beroep in. Volgens de Staat heeft de rechtbank hem ten onrechte veroordeeld om de (volledige) BTW over de deskundigenkosten te vergoeden.

Vergoeding deskundigenkosten: hoe zat het ook al weer?

Op grond van art. 50 Onteigeningswet heeft een onteigende in beginsel aanspraak op een vergoeding van de kosten voor bijstand die hij in de onteigeningsprocedure heeft moeten maken. Het kan dan zowel gaan om kosten die gemaakt zijn omdat de onteigende zich tegen de onteigening zelf verzet (zowel in de gerechtelijke als de administratieve fase, zie ons artikel daarover), als om kosten die gemaakt zijn in het kader van de discussie over de schadeloosstelling.

BTW

In zijn arrest legt de Hoge Raad duidelijk uit hoe met BTW in zijn algemeenheid, en dus ook in onteigeningsprocedures, moet worden omgegaan. De Hoge Raad overweegt (r.o. 5.3):

“Een ondernemer (..) kan de ter zake van juridische en andere deskundige bijstand aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen of terugvragen, voor zover de met die bijstand verrichte diensten door hem worden gebruikt voor belaste handelingen (..). Van gebruik voor belaste handelingen is in beginsel sprake wanneer de aanschaf van goederen of diensten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangt met het verrichten van belaste handelingen. Wanneer goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen bestaat geen recht op aftrek. Aangeschafte goederen en diensten die niet op vorenstaande wijze toerekenbaar zijn aan belaste handelingen en ook niet aan vrijgestelde handelingen maar die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele onderneming, vormen algemene kosten van de onderneming en komen voor aftrek in aanmerking, in de mate waarin de ondernemer belaste handelingen verricht.”

In cassatie stond niet ter discussie dat de rechtsovergang van het onteigende deel van het perceel als gevolg van de onteigeningsprocedure een van omzetbelasting vrijgestelde levering van een goed is. De discussie spitste zich vooral toe op de vraag of de juridische en andere deskundige bijstand in een onteigeningsprocedure rechtstreeks en onmiddellijk samenhangt met de (vrijgestelde) levering van het onteigende. Omdat de levering van het onteigende door inschrijving van het onteigeningsvonnis tot stand komt stelde de Staat zich op het standpunt dat de deskundigenkosten feitelijk niet met de levering van doen hadden, maar met andere zaken, zoals de hoogte van de schadeloosstelling.

De Hoge Raad verwerpt dit standpunt. Volgens de Hoge Raad geldt  dat juridische en andere deskundige bijstand die erop is gericht de omvang van een tegenprestatie voor een levering van een goed te bepalen, geacht wordt rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met die levering. De kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het vaststellen van de schadeloosstelling hangen dus rechtstreeks samen met de vrijgestelde levering van het onteigende. Om die reden kan de BTW met betrekking tot die kosten niet worden afgetrokken en moet deze als schade worden vergoed.

Conclusie

Het arrest van de Hoge Raad  heeft nogal wat implicaties voor de onteigeningspraktijk. Wij zijn de discussie over de vraag of de BTW over de deskundigenkosten kan worden afgetrokken, en zo nee: dat die dus moet worden vergoed, in de praktijk vrijwel nooit tegengekomen. Onteigende ondernemers plegen de BTW ‘gewoon’ af te trekken en in de praktijk werden de kosten van onteigende ondernemingen tot nu toe dan ook exclusief BTW vergoed.

Aan die praktijk zal nu een einde (moeten) komen. De Hoge Raad heeft immers klip en klaar bepaald dat de deskundigenkosten in een onteigeningsprocedure rechtstreeks samenhangen met de eigendomsovergang  van het onteigende en bijvoorbeeld geen algemene kosten van een onderneming zijn. Ondernemers kunnen de BTW over deze kosten dus niet aftrekken zodat ook de BTW over de deskundigenkosten in een onteigeningsprocedure moet worden vergoed.

Het is voor in het verleden onteigende ondernemers, die geen vergoeding voor de BTW hebben gekregen en deze hebben afgetrokken, te hopen dat de belastingdienst zich op dit punt niet streng zal opstellen. Strikt genomen is de BTW immers ten onrechte afgetrokken en moet deze alsnog worden voldaan, terwijl de onteigeningsprocedure al lang achter de rug is.

Heeft u vragen over onteigening of over onderhandelingen ter voorkoming van onteigening? Neem gerust contact op met de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager: Hanna Zeilmaker en Joske Hagelaars.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen