Home > Onteigeningsprojecten > Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling
Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling

Geen omzetbelasting over onteigeningsschadeloosstelling

Onlangs heeft de rechtbank Den Haag zich gebogen over de vraag of over een overeengekomen schadeloosstelling omzetbelasting is verschuldigd. Partijen waren overeengekomen dat er geen omzetbelasting was verschuldigd, maar de Inspecteur dacht daar anders over.

Feiten

Een transport- en aannemingsbedrijf moest worden verplaatst vanwege een voorgenomen bestemmingswijziging voor het ontwikkelingsgebied Rivierzone. Ter voorkoming van onteigening hebben het bedrijf en de gemeente een overeenkomst gesloten waarbij de gemeente de grond en de opstallen van het bedrijf heeft gekocht voor circa 3 miljoen euro, en een bedrag van ruim 3 miljoen euro. Dat laatste bedrag was de schadeloosstelling die in de overeenkomst was omschreven als bijdrage in de door het bedrijf te plegen investeringen wegens de verplaatsing.

De schadeloosstelling was opgebouwd uit meerdere componenten, waaronder de bouwkosten, verhardingskosten terrein, aanleg tankinstallatie, zwaardere lasten, financieringskosten, reguliere en bijzondere verhuiskosten, stagnatieschade (ook in verband met verplaatsen ICT) en aanloop- en inkomensschade (waaronder kosten extra reistijd).

De Inspecteur stelde zich op het standpunt dat de schadeloosstelling was belast met omzetbelasting en heeft een naheffingsaanslag opgelegd.

Standpunt inspecteur

De Inspecteur vond dat de schadeloosstelling de vergoeding is voor een door het bedrijf aan de gemeente verrichte dienst, namelijk de verplaatsing van het bedrijf. De gemeente heeft deze prestatie verbruikt, omdat zij door het afnemen van deze prestatie haar plannen tot (her)ontwikkeling van zowel de Rivierzone als de Koggehaven kan realiseren. De Inspecteur had ook nog een forse boete opgelegd, omdat het standpunt van het bedrijf volgens hem niet pleitbaar is.

Oordeel rechtbank 

De rechtbank was het helemaal niet eens met de Inspecteur en oordeelde in haar vonnis van 5 november 2015 als volgt.

Transactie/rechtsbetrekking, voordeel, tegenwaarde

Over de schadeloosstelling is omzetbelasting verschuldigd als die de vergoeding is voor een levering of dienst in de zin van het gemeenschappelijke stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (btw-stelsel) van de Europese Unie. Belastbare handelingen in het kader van het btw-stelsel veronderstellen het bestaan van een transactie tussen partijen waarbij een prijs of tegenwaarde is bedongen. Enerzijds brengt dit met zich dat de ene partij aan de andere partij een identificeerbaar voordeel dient te verstrekken, anderzijds brengt dit met zich dat de andere partij in ruil daarvoor een tegenwaarde dient te betalen. Een levering of dienst is enkel belastbaar wanneer er tussen een verrichter en ontvanger van een prestatie een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de prestatieverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verrichte prestatie. Er moet aldus een rechtstreeks verband bestaan tussen de verrichte prestatie en de ontvangen tegenprestatie. De rechtbank verwijst naar HvJ EU, 3 maart 1994, zaak C-16/93 (Tolsma), ECLI:EU:C:1994:80.

NB In dat arrest oordeelde het Hof van Justitie dat een dienst alleen “onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn (77/388) inzake omzetbelasting verricht en is dus alleen belastbaar, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.

Aan deze voorwaarden werd in de zaak Tolsma niet voldaan omdat de activiteit bestond in het op de openbare weg ten gehore brengen van muziek zonder dat hiervoor een vergoeding werd bedongen, ook al verzocht de betrokkene om geld en ontving hij zekere bedragen, waarvan de hoogte echter niet bepaald of bepaalbaar is. 

Handeling in algemeen belang is geen verbruik

De rechtbank overwoog dat van een levering of dienst onder bezwarende titel geen sprake is, indien een publiekrechtelijk lichaam bij het toekennen van een schadeloosstelling niet handelt om goederen of diensten voor eigen gebruik te “bekomen”, maar handelt in het algemeen belang. In een dergelijk geval is immers geen sprake van een verbruik in de zin van het btw-stelsel.

De rechtbank verwijst hier naar een ander arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU 29 februari 1996, zaak C-215/94 (Mohr), ECLI:EU:C:1996:72).

N.B. In het arrest Mohr oordeelde het Hof dat de verbintenis tot beëindiging van de melkproductie die een landbouwproducent aangaat in het kader van Verordening nr. 1336/86 (tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproductie) een dienst is en dat de vergoeding dus niet is onderworpen aan omzetbelasting. Bij het geven van de vergoeding verkeert de Gemeenschap namelijk niet in de positie van de verbruiker die een dienst vergoedt die de producent jegens haar verricht, maar handelt zij in het algemeen belang, te weten het bevorderen van de goede werking van de communautaire markt voor melk.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bedrijf noch aan de gemeente, noch aan enige andere identificeerbare verbruiker een identificeerbaar voordeel heeft verstrekt, waarvoor de schadeloosstelling de vergoeding zou kunnen vormen.

De gemeente heeft met het verstrekken van de schadeloosstelling geen goederen of diensten voor eigen gebruik verworven, maar gehandeld in het algemeen belang, namelijk ten behoeve van de herontwikkeling van het gebied Rivierzone. De bedrijfsverplaatsing geschiedt aldus ten behoeve van de gemeenschap, zodat de bedrijfsverplaatsing niet wordt verricht voor een identificeerbare verbruiker.

Geen causaal verband

De rechtbank overweegt ook nog dat als de Inspecteur al gevolgd zou worden in zijn stelling dat sprake is van een dienst aan de gemeente bestaande uit de bedrijfsverplaatsing, het vereiste rechtstreekse verband tussen de schadeloosstelling en die dienst ontbreekt (vgl. HvJ EU, 29 oktober 2009, C-246/08 (Commissie – Finland), ECLI:EU:C:2009:671). Uit het overzicht van de schadeloosstelling volgt namelijk dat de schadeloosstelling niet is bepaald door de reële waarde van de door de Inspecteur gestelde dienst van de bedrijfsverplaatsing, maar in hoofdzaak door na de verplaatsing te maken (investerings-)kosten.

De rechtbank concludeert dan ook dat geen sprake is van een belastbare dienst in de zin van de Wet OB en dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Daarmee vervalt ook de grond voor het opleggen van een verzuimboete en het in rekening brengen van belastingrente.  Er bleef dus niet veel over van het standpunt van de Inspecteur dat het standpunt van het bedrijf niet pleitbaar was!

Heeft u vragen over onteigening en het sluiten van overeenkomsten ter voorkoming van onteigening? Neem gerust contact op met de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager: Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen