Home > Beslag en executie > Het pandrecht en vermenging
Het pandrecht en vermenging

Het pandrecht en vermenging

Om zich ervan te verzekeren dat de schuldenaar overgaat tot betaling, vestigen sommige schuldeisers een pandrecht op roerende zaken. Mocht de schuldenaar niet betalen, dan kan de schuldeiser zich verhalen op de zaken waar het pandrecht op rust. Maar wat nu als die zaken vermengen met andere zaken?

De Hoge Raad heeft op 14 augustus een interessant arrest gewezen waar precies dit probleem aan de orde was (ECLI:NL:HR:2015:2192). In deze procedure ging het om het volgende. Zalco, een aluminiumproducent, had een (stil) pandrecht gevestigd op haar voorraad aluminium ten behoeve van Glencore. Op enig moment gaat Zalco failliet en bevindt zich een hoeveelheid aluminium in vloeibare toestand in de ovens van Zalco. De curatoren zetten de ovens stil, waarna het aluminium stolt. De curatoren komen met Glencore overeen dat het pandrecht niet geldt ten aanzien van “finished goods made after the bankruptcy” en dat Glencore de opbrengsten van “work in progress (aluminium in the pots and ovens)” onder zich zal houden totdat duidelijk is of één van de hypotheekhouders gerechtigd is tot de opbrengsten daarvan.

Glencore heeft op 5 september 2012 aangekondigd dat zij het aluminium in de ovens zal laten veilen.

Op enig moment is de electrolysefabriek, waar de ovens met aluminium zich bevinden, verkocht aan ZSP. ZSP is in de overeenkomst tussen de curatoren en Glencore niet genoemd als hypotheekhouder. In oktober 2012 heeft ZSP het aluminium dat zich in de ovens bevond verkocht aan UTB.

Tussen Glencore enerzijds en ZSP en UTB anderzijds is in geschil of Glencore nog een pandrecht had op het aluminium in de ovens. ZSP en UTB stellen dat dit teniet is gegaan door natrekking doordat het aluminium na stolling bestanddeel is geworden van de ovens (het aluminium is in de ovens gestold, CR). Als tweede verweer is (later in de procedures) aangevoerd dat het vloeibare aluminium dat zich in de ovens bevond op het moment van faillissement is vermengd met vloeibaar aluminium dat nadien is geproduceerd en waarvoor het pandrecht niet gold.

Het is van belang om te weten dat, indien er sprake is van vermenging van twee zaken van verschillende eigenaars, twee scenario’s denkbaar zijn: 1) er is sprake van een hoofdzaak een bestanddeel waarbij de eigendom komt te liggen bij de eigenaar van de hoofdzaak of 2) er is geen hoofdzaak aan te wijzen waarna er mede-eigendom ontstaat.

Het Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van vermenging waarbij de hoeveelheid aluminium in de ovens waarop géén pandrecht rustte, aanzienlijk groter was dan de hoeveelheid aluminium waarop het pandrecht wél rustte. Daardoor heeft het onbezwaarde aluminium als hoofdzaak te gelden en is de eigenaar van dat aluminium tevens eigenaar geworden van het wel bezwaarde aluminium. Daarbij overweegt het Hof dat het pandrecht door de vermenging teniet is gegaan omdat dit niet op de hoofdzaak (de grootste hoeveelheid) maar op het bestanddeel (de kleinere hoeveelheid) rustte. Dit is logisch omdat het pandrecht de zaak volgt waarop het is gevestigd: nu in het geval van scenario 1 de eigendom van het bestanddeel tenietgaat, zal ook het pandrecht daarop teniet gaan. Glencore heeft dus geen pandrecht op het aluminium dat in de ovens is gestold.

Het Hof heeft de zaak afgedaan op grond van vermenging van het vloeibare aluminium en het natrekkingsverweer van ZSP en UTB (dat ziet op het aluminium nadat dit is gestold) niet besproken.

Glencore is in cassatie gegaan en stelt (onder meer) dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat er zich een kleine hoeveelheid aluminium in de ovens bevond en dat het Hof voorbij is gegaan aan haar stellingen daarover. Ook heeft het Hof niet inzichtelijk gemaakt van welke verhoudingen verpand/niet-verpand aluminium zij is uitgegaan toen zij oordeelde dat de hoeveelheid niet-verpand aluminium een aanzienlijk grotere hoeveelheid betrof. De Hoge Raad geeft Glencore daarin gelijk en een ander Hof zal nu opnieuw moeten beoordelen of er sprake is van vermenging van een hoofdzaak met een bestanddeel (scenario 1) of van vermenging waarbij geen hoofdzaak is aan te wijzen (scenario 2).

De Hoge Raad beantwoordt ook alvast de vraag of er überhaupt sprake kan zijn van vermenging (artikel 5:15 BW en 5:14 BW) aangezien zowel het verpande als het niet-verpande aluminium op het moment dat het in de ovens  stolde nog toebehoorden aan Zalco en dus niet aan twee verschillende eigenaars en het hier bovendien niet gaat om de vraag wie eigenaar is, maar of het pandrecht van Glencore teniet is gegaan. De Hoge Raad beslist evenwel dat deze regels óók gelden “in gevallen waarin de vraag aan de orde is of een pandrecht op een zaak door vermenging is komen te vervallen, ongeacht of de bij de vermenging betrokken zaken aan verschillende eigenaars toebehoren”.

De Hoge Raad geeft verder mee dat bij de beoordeling van de vraag of er een hoofdzaak kan worden aangewezen, in geval van vermenging van gelijksoortige zaken “uitsluitend beslissend [is] of één van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. Mede gelet op de mogelijke rechtsgevolgen – verlies van recht (…) – dient niet spoedig te worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de zaken ‘aanmerkelijk’ is.”

De Hoge Raad verduidelijkt bovendien dat bij scenario 2 (er is geen hoofdzaak en er ontstaat mede-eigendom) in gevallen als de onderhavige heeft te gelden dat van rechtswege een pandrecht op het aandeel van de mede-eigenaar in de nieuwe zaak ontstaat. Omdat  in deze zaak sprake was van een faillissement van de eigenaar van het aluminium (tevens pandgever), overweegt de Hoge Raad nog: “Dit is niet anders in geval van een faillissement van de eigenaar van die zaak. Meer in het bijzonder brengt het aan het faillissementsrecht ten grondslag liggende fixatiebeginsel niet iets anders mee, gelet op de omstandigheid dat de hier bedoelde rechtsverkrijging van rechtswege werkt.

Afronding

De Hoge Raad heeft in deze zaak duidelijkheid gegeven over de vraag naar het ontstaan en tenietgaan van beperkte rechten zoals het pandrecht in het geval er sprake is van vermenging. Dat er daarbij sprake is van één en dezelfde eigenaar doet niet ter zake en ook een eventueel faillissement van die eigenaar staat daar niet aan in de weg. Ook geeft de Hoge Raad aan dat in het geval van vermenging van gelijksoortige zaken niet snel mag worden aangenomen dat het waardeverschil tussen de twee vermengde zaken “aanmerkelijk” is.

Heeft u vragen over eigendom, zekerheidsrechten of faillissement, neem dan contact op met mr. Charlotte Raaimakers (advocaat) of mr. Maartje ter Horst (curator).

Charlotte Raaimakers

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen