Home > Onteigening en gedoogplichten > Hoge Raad wijst belangrijk arrest over tussenkomst in onteigeningsprocedure
Hoge Raad wijst belangrijk arrest over tussenkomst in onteigeningsprocedure

Hoge Raad wijst belangrijk arrest over tussenkomst in onteigeningsprocedure

In een arrest van 14 augustus 2015 heeft de Hoge Raad een voor de praktijk belangrijk arrest gewezen over de mogelijkheid om in een onteigeningsprocedure tussen te komen en de mogelijkheid om de procedure van een ‘derde’ over te nemen.

Feiten

De gemeente Peel en Maas onteigent een agrarisch perceel dat eigendom is van twee broers (A en B). Aangezien één van de twee (A) is overleden wordt in zijn plaats een derde benoemd op grond van art. 20 Onteigeningswet. De gemeente dagvaardt de nog in leven zijnde broer en de benoemde derde.  Op de eerste rolzitting heeft de weduwe van A de rechtbank gevorderd als erfgenaam te mogen tussenkomen in de procedure. Daarnaast heeft een zoon van A gevorderd te mogen tussenkomen als pachter.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis hebben de weduwe van A en de zoon van A beroep in cassatie ingesteld.

In afwachting daarvan hebben de gezamenlijke erfgenamen van A gevorderd in de onteigeningsprocedure te mogen tussenkomen. Ook deze vordering is door de rechtbank afgewezen. De gezamenlijke erfgenamen stellen tegen het vonnis waarin hun vordering tot tussenkomst is afgewezen cassatie in.

De procedure bij de Hoge Raad

In beide cassatieprocedures dagvaarden eisers in cassatie alleen de gemeente Peel en Maas, terwijl de vordering tot tussenkomst naar zijn aard gericht is tegen alle partijen in een procedure. Dat betekent dat ook broer B en de benoemde derde hadden moeten worden gedagvaard. De Hoge Raad strijkt bij tussenarrest met de hand over het hart en laat eisers toe om de vergeten partijen alsnog op te roepen. Saillant detail, de Hoge Raad overweegt in het tussenarrest dat het onteigeningsvonnis van de rechtbank, vanwege de ingestelde cassatie(s), nog niet onherroepelijk is geworden terwijl de rechtbank (die van oordeel was dat de cassatieprocedures van de afgewezen interveniënten geen invloed kon hebben op de hoofdzaak) wel een akte non-cassatie heeft afgegeven.

Tussenkomst in plaats van derde toegestaan?

De Hoge Raad oordeelt in het eindarrest dat de benoeming van een derde op de voet van art. 20 lid 1 Ow ertoe strekt het algemene belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding te dienen. Voorkomen moet worden dat het onteigeningsgeding wordt opgehouden doordat de rechter zou worden genoopt een beslissing te geven omtrent de vraag wie krachtens erfopvolging is gerechtigd tot de te onteigenen zaak.

Tegen die achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat, zolang nog niet onherroepelijk is beslist over de vordering tot (vervroegde) onteigening, op de voet van art. 20 leden 2 en 3 Ow de procedure alleen door of namens de gezamenlijke erfgenamen kan worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde, en dus niet door één of meer van hen. Om vertraging te voorkomen moet deze (gezamenlijke) overneming van het geding van de derde op de eerstdienende dag plaatsvinden. De vorderingen van de weduwe (op de eerstdienende dag) en de gezamenlijke eigenaren (na de eerstdienende dag) zijn dus terecht afgewezen.

Nadat de onteigening is uitgesproken en de discussie nog verder gaat over de hoogte van de schadeloosstelling kunnen de gezamenlijke erfgenamen nog wel tussenkomen en de positie van de derde overnemen, maar de onteigeningsvordering kan dan niet meer worden betwist.

Tussenkomst door erfgenamen als rechthebbende?

Op grond van art. 3 lid 2 Ow hebben ook andere (pretense) rechthebbenden een mogelijkheid om tussen te komen in de procedure.  Deze mogelijkheid geldt volgens de Hoge Raad echter niet voor (gezamenlijk) erfgenamen van de overleden onteigende. Hun belangen worden immers al door de derde ex art. 20 Ow behartigd. Voor ‘dubbele’ aanwezigheid van de gezamenlijke erfgenamen is geen plaats.

Tussenkomst als pachter?

De zoon van A, die als pachter wilde tussenkomen had dat op tijd gedaan (de eerstdienende dag). Zijn (pacht)recht werd echter betwist door broer B, die stelde dat er van pacht geen sprake was. Op grond van art. 3 lid 3 Ow kan hij die stelt gerechtigd te zijn tot de onroerende zaak, in geval van tegenspraak van zijn hoedanigheid zijn recht alleen op de schadevergoeding uitoefenen. De pretense pachter kan zich dus niet tegen de onteigening verweren. Ook zijn vordering tot tussenkomst is daarom terecht afgewezen.

Conclusie

Het is goed opletten geblazen voor derden en/of erfgenamen die in een onteigeningsprocedure willen tussenkomen of het geding van de benoemde derde willen overnemen. Erfgenamen kunnen de procedure alleen gezamenlijk overnemen en om verweer te mogen voeren zal men zich op de eerstdienende dag moeten melden.

Heeft u vragen over deze uitspraak of wilt u meer weten over onteigening? Neem gerust contact op met de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager: Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen