Home > Beslag en executie > Geen misbruik van bevoegdheid bank door staken executie na indiening verzoek onderhandse verkoop
Geen misbruik van bevoegdheid bank door staken executie na indiening verzoek onderhandse verkoop

Geen misbruik van bevoegdheid bank door staken executie na indiening verzoek onderhandse verkoop

Een hypotheekhouder heeft niet alleen de bevoegdheid om over te gaan tot parate executie, maar heeft ook de bevoegdheid om een eenmaal ingezette openbare verkoop te staken. Ook wanneer er inmiddels een verzoek aan de voorzieningenrechter tot onderhandse verkoop is gedaan. 

Feiten
Door oplopende schulden heeft bank A op enig moment besloten over te gaan tot openbare verkoop van de onroerende zaak waar het hypotheekrecht op rust en start het executietraject. De eigenaar (B) van de betreffende onroerende zaak dient vervolgens een verzoekschrift in dat strekt tot het verkrijgen van verlof tot onderhandse verkoop. In een dergelijk geval kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die bij het verzoek ter goedkeuring wordt overlegd (artikel 3:268 lid 2 BW). Echter, vervolgens besluit bank A het executietraject te staken en trekt de veilingopdracht in. Volgens B maakt bank A misbruik van haar bevoegdheid om de openbare verkoop te staken.

Bevoegdheid tot openbare verkoop, geen verplichting
In de wet staat uitdrukkelijk dat de hypotheekhouder bevoegd is over te gaan tot openbare verkoop, en niet dat het een verplichting is (artikel 3:268 lid 1 BW). Dat impliceert dat de bank ook bevoegd is om een eenmaal ingezette openbare verkoop te staken. Een verplichting voor de bank om deze voort te zetten zou ook niet stroken met het feit dat zij niet gehouden is om over te gaan tot gunning in geval van een veiling.

Bank heeft belang bij afblazen executieveiling
De voorzieningenrechter ziet daarnaast onvoldoende reden om aan te nemen dat de bank haar bevoegdheid om de openbare verkoop te staken misbruikt. De bank geeft als reden voor de intrekking van de executieverkoop dat zij pas laat op de hoogte is geraakt van het feit dat de huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak is verlengd met de duur van vijf jaren, terwijl de bank in de veronderstelling verkeerde dat de huurovereenkomst binnen afzienbare tijd zou eindigen. Dat uitgangspunt is ook in de veilingvoorwaarden opgenomen en blijkt achteraf niet juist te zijn. Ook de taxateur die ingeschakeld is om de onroerende zaak te taxeren was niet op de hoogte van de verlenging van de huurovereenkomst. Was hij dit wel geweest dan had dit uiteraard invloed gehad op de hoogte van de taxatie. Daar komt nog bij dat één van de door B voorgedragen kopers geen onafhankelijke derde is, maar een vennootschap van de zoon van B, en de bank de indruk heeft dat sprake is van een vooropgezet plan tussen B en deze koper. De bank heeft er aldus belang bij om de veiling af te blazen en zich te beraden over het vervolgtraject.

Conclusie
De bank is bevoegd de openbare verkoop van de onroerende zaak te staken en er bestaat onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de bank die bevoegdheid misbruikt. Nu de openbare verkoop van de baan is, kan een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW niet meer aan de orde zijn, omdat lid 2 verwijst naar de in het eerste lid bedoelde openbare verkoop.

Bron: RBOBR:2015:1003

Vastgoedveilingen: Ruben Berentsen, Anita van Wijk, Marleen Vermeulen, Mitzi Litjens

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen