Home > Beslag en executie > Gevorderd verbod op executieveiling afgewezen
Gevorderd verbod op executieveiling afgewezen

Gevorderd verbod op executieveiling afgewezen

Een woningeigenaar vordert een verbod op de executieveiling van zijn woning. De bank in casu is volgens de eigenaar helemaal niet bevoegd om over te gaan tot parate executie van het hypotheekrecht en heeft daarnaast onrechtmatig gehandeld omdat zij de nieuwe regels met betrekking tot executieveilingen, vanaf 1 januari 2015 in werking getreden, niet heeft toegepast. De rechtbank wijst de vordering echter af.

Feiten
A is eigenaar van een woning waarop een hypotheekrecht gevestigd is ten gunste van B (de bank). Enige tijd later worden de aandelen van bank B overgenomen door bank C. De financiële producten van bank B (waaronder de hypotheek op de woning van A) zullen worden overgedragen aan bank C. Verder is bepaald dat alle rechten, vorderingen en aanspraken die bank B heeft of mocht verkrijgen in het kader van deze producten, worden gecedeerd aan bank C. Bank B heeft per brief aan A laten weten dat de door hem afgenomen producten overgedragen worden aan bank C.

Hypotheeklasten opschorten
Uit onvrede over het in Nederland, maar ook in andere landen, gehanteerde financiële systeem besluit A op enig moment geen rentebetalingen meer aan bank C te verrichten. Bank C laat in de daaropvolgende maanden aan A weten dat sprake is van forse betalingsachterstanden en dat zij voornemens is over te gaan tot parate executie van haar hypotheekrecht. A geeft aan dat het voor hem niet duidelijk is wie zijn schuldeiser is uit hoofde van de hypotheeklening. Nu hij wegens een gebrek aan informatie niet weet aan wie hij de hypotheeklasten bevrijdend kan betalen, beroept hij zich op een opschortingsrecht (artikel 6:37 BW).

Openbare verkoop van de woning
Daarop zet bank C per direct de financieringen met betrekking tot de woning van A stop. Bank C verzoekt voldoening van de openstaande vordering en deelt A mede dat als niet aan dit verzoek wordt voldaan, zij voorbereidingen zal gaan treffen voor de openbare verkoop van de woning. A komt zijn verplichtingen niet na en bank C geeft uiteindelijk opdracht aan de notaris om tot openbare verkoop van de woning over te gaan, welke gepland staat in oktober 2014. Deze veiling wordt echter geannuleerd en er volgt een tweede poging in februari 2015. De openbare verkoop is door een deurwaarder aan A aangezegd, A heeft de veilingvoorwaarden ontvangen, de advertenties met betrekking tot de openbare verkoop van de woning zijn in de krant gepubliceerd en de veiling staat aangekondigd op een daartoe bestemde website.

Executieveiling verbieden: is bank wel bevoegd?
A vordert de geplande executieveiling te verbieden. Voor hem is onduidelijk welke bank met betrekking tot de hypotheeklening de schuldeiser is. Hierdoor heeft hij gemeend dat hij met een beroep op het opschortingsrecht de hypotheeklasten niet meer behoefde te voldoen. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat ook in de executiefase onduidelijk is aan wie hij de volledige vordering uit hoofde van de hypotheeklening moet voldoen. Volgens A is het dus maar de vraag of er wel bevoegd tot een executieveiling kan worden overgegaan.

Wie is de schuldeiser?
Vaststaat dat met betrekking tot de hypotheeklening bank C, na het verkrijgen van de aandelen van bank B, als schuldeiser moet worden aangemerkt en dat aan haar bevrijdend kan worden betaald. Vast staat voorts dat de brieven met betrekking tot de aankondiging van de overname van bank B door bank C aan A zijn verstrekt. Ook is aan A medegedeeld dat de hypotheek door bank B aan bank C zou worden overgedragen. Derhalve kan niet worden gezegd dat A niet is geïnformeerd over de overdracht. Ook is niet gebleken dat er aanwijzingen waren dat de overdracht niet goed was geregeld en dat A het risico liep dat zijn betalingen niet bij de juiste bank terechtkwamen. In het licht van voornoemde overdracht had A kunnen begrijpen dat bank C de nieuwe schuldeiser was geworden. Aannemelijk is dan ook dat A geen beroep op een opschortingsrecht toekomt. A heeft daarom ten onrechte een betalingsachterstand laten ontstaan die tot een gerechtvaardigde opzegging van de financieringen door de bank heeft geleid. A zal dus zijn lening moeten aflossen.

Oude of nieuwe wetgeving executoriale verkoop van toepassing?
Daarnaast stelt A zich op het standpunt dat de per 1 januari 2015 in werking getreden wetgeving met betrekking tot de executoriale verkoop door de notaris die is belast met de openbare verkoop niet is toegepast (de artikelen 516 en 517 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) Nu de openbare verkoop vóór 1 januari 2015 al aan A is aangezegd, is de conclusie dat op onderhavige veiling nog de oude wetgeving van toepassing is. Nu aan de voorwaarden volgens de oude wetgeving is voldaan kan niet worden gezegd dat ongeldig en derhalve onrechtmatig is gehandeld, zoals A stelt.

Belangenafweging
Bovendien leidt een belangenafweging tussen partijen niet tot het oordeel dat de executieveiling moet worden verboden dan wel opgeschort. Nu A inmiddels een forse betalingsachterstand heeft en aannemelijk is dat in de toekomst wederom achterstand zal ontstaan, weegt het belang van de bank bij de executieveiling zwaarder dat het belang van A om zijn woning te behouden en voorlopig aan zijn hypotheek gebonden te blijven. De executieveiling zal niet worden verboden.

Bron: RBAMS:2015:1960

Vastgoedveilingen: Ruben Berentsen, Anita van Wijk, Marleen Vermeulen, Mitzi Litjens

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen