Home > Planschade en nadeelcompensatie > Planschade; maatstaf voor maximale invulling
Planschade; maatstaf voor maximale invulling

Planschade; maatstaf voor maximale invulling

Op 18 maart 2015 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over de maximale invulling van het bestemmingsplan. Dat een bepaalde maximumsnelheid niet aannemelijk is betekent niet dat de realisering van die planologische mogelijkheid is uitgesloten.

Tussenuitspraak
In een eerdere tussenuitspraak had de Afdeling al overwogen dat de gemeente bij de beoordeling van het verzoek om planschade ten onrechte was uitgegaan van de maximaal toegestane snelheid van 50 km per uur op de Oosttangent. De gemeente had bij de planvergelijking moeten beoordelen welk type weg het bestemmingsplan mogelijk maakt en voor welk snelheidsregime die weg geschikt is.

Maatstaf maximale invulling
De Raad van State stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding moet worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

Schadecommissie ging uit van aannemelijke planrealisatie
Volgens het advies van de schadecommissie volgde uit het memo van de Grontmij dat op de Oosttangent een maximumsnelheid van 80 km per uur niet mogelijk is, omdat de Oosttangent binnen relatief korte afstand drie krappe bochten heeft, waar als veilige snelheid een maximumsnelheid van 60 km per uur dient te gelden. Het was ook niet reëel om uit te gaan van deze snelheid voor die bochten en een maximumsnelheid van 80 km per uur voor een recht stuk weg van ongeveer 500 m tussen twee bochten, omdat dan veel verkeersborden langs de weg geplaatst moeten worden, waardoor een zogenaamd bordenwoud zou ontstaan. Volgens het advies wordt een maximum snelheid van 60 km per uur voor de gehele Oosttangent wel reëel geacht. In het advies is verder gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012 in zaak nr. 201107694/1/A2, waarin de Afdeling volgens de schadecommissie de maximale mogelijkheden van een bestemmingsplan heeft genuanceerd door uit te gaan van de redelijke uitleg van de voorschriften. Volgens de schadecommissie is het niet redelijk de verkeersbestemming voor de Oosttangent in het bestemmingsplan zo uit te leggen dat een combinatie van maximumsnelheden een redelijke invulling van deze bestemming is. De conclusie van de schadecommissie was dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat een snelheid van 80 km per uur op de Oosttangent niet aannemelijk is. Volgens de schadecommissie moet bij de planvergelijking en beoordeling van de schadeoorzaken worden uitgegaan van een maximumsnelheid van 60 km per uur op de gehele Oosttangent.

Afdeling blijft bij maatstaf van onmogelijkheid
De Afdeling gaat hier niet in mee. Volgens de Afdeling mag uit haar uitspraak van 11 april 2012 mag, anders dan de schadecommissie heeft gedaan, niet worden afgeleid dat de hierboven weergegeven maatstaf niet meer geldt. In dit geval ligt, anders dan in die uitspraak, niet de vraag voor wat een redelijke uitleg is van voorschriften van het bestemmingsplan. Niet in geschil is immers dat het bestemmingsplan de aanleg van de Oosttangent als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km per uur planologisch mogelijk maakt. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het memo van de Grontmij uit 2004, op het standpunt gesteld dat een dergelijke realisering van de Oosttangent met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Maar dat volgt helemaal niet uit het memo van de Grontmij. In dat memo staat dat een wisselend snelheidsregime op de Oosttangent onwenselijk is. Er staat niet in dat een maximumsnelheid van 80 km per uur op het rechte weggedeelte van de Oosttangent ter hoogte van het perceel van de appellant verkeersonveilig is. Dat de schadecommissie het instellen van een maximumsnelheid van 80 km per uur op de Oosttangent niet aannemelijk acht, betekent verder niet dat de realisering van die planologische mogelijkheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.
Kortom, het college had het advies van de schadecommissie op dit punt niet aan haar nieuwe besluit ten grondslag mogen leggen.

Ook op een ander punt ging het nieuwe besluit onderuit.
In één van de planvoorschriften was namelijk een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen voor wat betreft de indeling van de gronden ten behoeve van een herinrichting.

Art. 49 WRO van toepassing, dus vrijstelling bij planvergelijking betrekken
Aan de orde was wat de maximale mogelijkheden zijn van de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 -V1-” en de daarvan te verwachten geluidhinder en aantasting van de luchtkwaliteit op het perceel van de appellant. De vrijstellingsbevoegdheid betekent dat de in het bestemmingsplan voor de Oosttangent opgenomen dwarsprofielen en lengteprofielen niet bepalend zijn voor de maximale mogelijkheden van de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 -V1-“. Voor de beoordeling van het verzoek is de vrijstellingsbevoegdheid dus relevant. Nu op deze zaak artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van toepassing is, had deze vrijstellingsbevoegdheid bij de planvergelijking moeten worden betrokken. Om die reden betrekt de Afdeling deze vrijstellingsbevoegdheid met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb bij dit geschil.
Uit het advies van de schadecommissie volgt niet dat de commissie deze vrijstellingsbevoegdheid heeft betrokken bij het bepalen van het planologisch nadeel dat de appellant ten gevolge van de planologische verandering heeft geleden. Het college mocht ook om deze reden het advies van de schadecommissie niet aan het besluit van 11 november 2014 ten grondslag leggen.

Bestuurlijke lus: nieuw besluit over maximale invulling
De Afdeling concludeert dat het besluit van 11 november 2014 niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, en draagt de gemeente op  de voet van artikel 8:51a van de Awb  uiterlijk 24 weken na de verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe dient het college in het kader van de planvergelijking te onderzoeken of de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 -V1-“, gelet op de
vrijstellingsbevoegdheid, ter hoogte van de woning van appellant de aanleg van een anders gesitueerde of vormgegeven weg met een hogere maximumsnelheid dan 80 km per uur mogelijk maakt. Als dat zo is, dan moet het college de gestelde extra geluidhinder en de gestelde extra aantasting van de luchtkwaliteit te onderzoeken. Als de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 -V1-” geen anders gesitueerde of vormgegeven weg dan de gerealiseerde Oosttangent mogelijk maakt, dan moet het college in het kader van de planvergelijking, uitgaande van een maximumsnelheid van 80 km per uur op het rechte gedeelte van de Oosttangent ter hoogte van de woning van appellant, de gestelde extra geluidhinder en de gestelde extra aantasting van de luchtkwaliteit te onderzoeken.

Heeft u vragen over planschade? Belt of mailt u met Hanna Zeilmaker, specialist in planschade

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen