Home > Erfpacht en opstal > Gedoogplicht Belemmeringenwet Privaatrecht: belangenafweging
Gedoogplicht Belemmeringenwet Privaatrecht: belangenafweging

Gedoogplicht Belemmeringenwet Privaatrecht: belangenafweging

Uit de uitspraak van 12 maart 2015 over de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding Beverwijk-Vijfhuizen blijkt dat de indiening van een verzoek om voorlopige voorziening geen zin heeft.

Geen spoedeisend belang
Een pachter wiens areaal wordt getroffen door de aanleg van de hoogspanningsverbinding voerde aan dat zijn agrarisch bedrijf in een noodsituatie zou komen te verkeren. TenneT had achter schriftelijk laten weten dat de werkzaamheden op de bewuste percelen niet vóór 5 oktober 2015 zouden beginnen, en herhaalde die toezegging ter zitting. Al hierom was naar het oordeel van de voorzieningenrechter met het verzoek van  de pachter vooralsnog geen spoedeisend belang gemoeid, dat op dit moment een schorsing van de gedoogbeschikking rechtvaardigt.

Situatie ondererfpachters
Ook de ondererfpachters van percelen, die eigendom zijn van Staatsbosbeheer en in erfpacht zijn uitgegevan aan het Recreatieschap Spaarnwoude hadden een voorlopige voorziening gevraagd. Op één van de percelen wordt een nieuwe mast opgericht, en het perceel wordt ook tijdelijk ingericht als werkterrein. Verder komt de hoogspanningsverbinding permanent boven de erfpachtpercelen te hangen.
De ondererfpachters voeren aan dat TenneT met hen geen serieuze onderhandelingen heeft gevoerd om op minnelijke wijze tot overeenstemming te komen. Ook stellen zij dat de minister geen gedoogplicht aan hen heeft kunnen opleggen, nu hun belangen onteigening vorderen van de percelen waarop zij een recht van ondererfpacht hebben. In dit verband voeren zij aan dat een gedeelte van de percelen door de gedoogplicht niet meer kan worden gebruikt voor recreatieve doeleinden.

In het kader van vovo geen onderzoek, maar belangenafweging
De voorzieningenrechter overweegt dat de beoordeling van het betoog van de ondererfpachters dat de minister zich op voorhand niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat TenneT een serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om langs minnelijke weg met hen tot overeenstemming te komen, nader onderzoek vergt. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van het betoog dat hun belangen onteigening van de percelen vorderen. Deze voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor nader onderzoek op dit punten. De vraag of vooruitlopend op de beoordeling van deze gronden in de hoofdzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen, zal dus worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van de ondererfpachters overwegend financieel van aard is, nu zij betogen dat hun onderhandelingspositie met TenneT over hun rechtsvordering tot schadevergoeding verslechtert als gevolg van de inwerkingtreding van de gedoogbeschikking. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de ondererfpachters echter niet aannemelijk gemaakt dat zij in een financiële noodsituatie komen te verkeren als de voorlopige voorziening niet wordt getroffen.

Tegenover het belang van de ondererfpachters staat het belang van TenneT om vertragingen bij de oprichting van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding tegen te gaan en verder om gevrijwaard te blijven van vertragingsschade die kan ontstaan in de periode tot aan de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure. In dit verband heeft de minister aangevoerd dat een vertraging bij de oprichting van de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Vijfhuizen leidt tot een vertraging in de ingebruikname daarvan, en dat is onwenselijk gelet op het belang van het veiligstellen van de elektriciteitsvoorziening in de Randstad. TenneT heeft ter zitting toegelicht dat zij vanwege het naderende broedseizoen, in februari 2015 al had willen beginnen met kapwerkzaamheden op het perceel 3249, maar dat zij deze heeft uitgesteld in verband met het nu voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij afweging van de wederzijdse belangen aanleiding concludeert de voorzieningenrechter tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Uit deze uitspraak blijkt dat het zinloos is om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen om te voorkomen dat de gedoogbeschikking in werking treedt. Zo’n verzoek wordt alleen maar beoordeeld op basis van een belangenafweging, en de situatie zal zich niet of niet snel voordoen dat de belangen van de verzoeker zwaarder wegen dan het belang van TenneT bij ongestoorde aanleg van de hoogspanningsverbinding. Met minder dan een financiële noodsituatie kan de verzoeker in ieder geval niet aankomen, maar ook dan moet ik het nog zien gebeuren dat de gedoogbeschikking wordt geschorst…

Heeft u vragen over gedoogplichten of over onteigening? Belt of mailt u met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, de onteigeningsadvocaten van Dirkzwager!

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen