Home > Pachtrecht > Termijn om in hoger beroep te gaan bedraagt bij pachtzaken slechts één maand
Termijn om in hoger beroep te gaan bedraagt bij pachtzaken slechts één maand

Termijn om in hoger beroep te gaan bedraagt bij pachtzaken slechts één maand

In pachtprocedures geldt een beroepstermijn van slechts één maand, terwijl in reguliere civiele procedures de beroepstermijn drie maanden bedraagt. Die beroepstermijn wordt ambtshalve getoetst door het gerechtshof. Er hoeft aldus geen beroep gedaan te worden op het niet in achtnemen van de beroepstermijn. In het arrest van  15 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden  geoordeeld dat de beroepstermijn van een maand niet in acht was genomen door appellant en werd het gevoerde verweer niet gehonoreerd.

De zaak
De pachtkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft op 3 april 2012 en 4 december 2013 twee vonnissen gewezen. Artikel 1019o van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de termijn van hoger beroep tegen vonnissen van de pachtkamer één maand na de dag van de uitspraak bedraagt.

Appellant is bij dagvaardingen van 17 januari 2014 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 3 april 2012 en 4 december 2013 van de pachtkamer van de rechtbank Limburg. Het uitbrengen van de dagvaardingen is aldus te laat geschied.

Rechtsmiddelentermijn
Rechtsmiddelentermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan deze rechtsmiddelentermijn moet strik de hand worden gehouden (zie HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413). Op voornoemd standpunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (vergelijk HR 23 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005, 465; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3192, NJ 2009, 488 en HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BQ0510, NJ 2012, 626).

Appellant stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het bij vervroeging uitgesproken vonnis.

Oordeel hof
Deze omstandigheid kan volgens het hof geen uitzondering op strikte handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigen. De eenmalige uitzondering die de Hoge Raad hierop heeft aanvaard (zie 23 november 2003), betrof de verzoekschriftprocedure waarbij appellant door een fout van (de griffie van) het gerecht niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven.  Deze beschikking was hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de rechtsmiddelentermijn toegezonden of verstrekt. Hierbij is overigens nog in aanmerking genomen dat in een verzoekschriftprocedure, door het ontbreken van een rol, voor een procespartij  dan wel haar advocaat niet eenvoudig is na te gaan wanneer een uitspraak volgt, indien de rechter dat niet heeft medegedeeld en dat door het ontbreken van de rol niet eenvoudig te achterhalen is dat uitspraak is gedaan.

In onderhavige kwestie gaat het om een dagvaardingsprocedure, waarbij het vonnis ter rolle is uitgesproken. Appellant, die werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, had ter rolle kunnen zien dat uitspraak werd gedaan. Het komt overigens ook regelmatig voor dat op een andere dan de aangezegde datum vonnis wordt gewezen. Appellant wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Commentaar
Bij pachtzaken is het noodzakelijk de beroepstermijn strikt in de gaten te houden. Hiermee wordt voorkomen dat bij een gewenst hoger beroep u met lege handen komt te staan. Voor eventuele vragen over pachtprocedures kunt u contact opnemen met mr. José Jochemsen-Vernooij.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen