Home > Planschade en nadeelcompensatie > Nadeelcompensatie bij dijkverhoging: feitelijke situatie bepalend
Nadeelcompensatie bij dijkverhoging: feitelijke situatie bepalend

Nadeelcompensatie bij dijkverhoging: feitelijke situatie bepalend

In haar uitspraak van 2 juli 2014 herhaalt de Raad van State dat een verzoek om nadeelcompensatie in verband met de uitvoering van kustversterkingswerkzaamheden niet beoordeeld moeten worden op basis van een planologische vergelijking, maar op basis van een vergelijking tussen de feitelijke situaties met en zonder de uitvoering van het kustversterkingsplan.

Casus
De eigenaar (sinds 1998) van een woning te Terneuzen heeft verzocht om vergoeding van schade, groot € 18.000,00, om met dat bedrag de zolder te verbouwen tot werkkamer en te isoleren. Door de verhoging van de dijk met 0,9 meter op 200 meter afstand van zijn woning heeft hij geen uitzicht meer op de Westerschelde vanuit zijn werkkamer op de eerste etage van zijn woning. De eigenaar wil zijn werkkamer verplaatsen naar de zolder om zo weer uitzicht te hebben over de Westerschelde, waardoor hij zijn schade in de vorm van waardevermindering beperkt.

De dijkverhoging is mogelijk gemaakt door het projectplan “Verbetering waterkering voorhavens Terneuzen” van Rijkswaterstaat Zeeland. Dit plan is gebaseerd op de Waterwet.

Standpunt minister / oordeel rechtbank
De Minister had het verzoek om schadevergoeding afgewezen met het argument dat de eigenaar van de woning niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, omdat het ter plaatse sinds 1976 geldende bestemmingsplan “Buitengebied” de dijkverhoging al mogelijk maakte en daarin geen grenzen zijn opgenomen ten aanzien van de hoogte van de zeewering. De eigenaar diende er volgens de Minister dus rekening mee te houden dat op enig moment de dijk zou worden verhoogd. Ook vond de Minister dat, gelet op de stijging van de zeespiegel, een dijkverhoging als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang moet worden beschouwd en dat de eigenaar al daarom rekening diende te houden met een dijkverhoging.

Uitspraak Raad van State: feitelijke situatie vergelijken, bestemmingsplan niet relevant
Volgens de Raad van State had de Minister aan de afwijzing niet ten grondslag mogen leggen dat de eigenaar niet in een nadeligere positie terecht is gekomen, omdat het geldende bestemmingsplan de dijkverhoging reeds mogelijk maakte. Voor de beoordeling van een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de door de Minister toegepaste Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situaties met en zonder de uitvoering van het projectplan. In het bestemmingsplan zijn in het geheel geen grenzen aan de dijkverhoging gesteld, zodat de door de schadecommissie voorgestane planologische vergelijking tussen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en het projectplan niet goed mogelijk is en bovendien altijd tot de conclusie zou leiden dat een nadeliger situatie zich niet voordoet.

Commentaar
Dit oordeel over de te maken vergelijking heeft de Raad van State ook al gegeven in haar uitspraak van 9 april 2014 over waardedaling van appartementen als gevolg van kustversterkingswerkzaamheden in Noordwijk. Uit deze uitspraak over de dijkverhoging in Terneuzen blijkt dat nu al kan worden gesproken van vaste rechtspraak. Verzoeken om nadeelcompensatie kunnen dus niet meer worden afgewezen met de verwijzing naar een bestemmingsplan waarin geen beperkingen ten aanzien van de hoogte van de waterkering zijn opgenomen. De interessante vraag is natuurlijk of die redenering ook opgaat voor de nok- en goothoogte van gebouwen als het bestemmingsplan ter zake geen beperking bevat.

Normaal maatschappelijk risico ?
De Minister had aangevoerd dat de verhoging van een dijk als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken. De Raad van State  herhaalt dat de vraag of de gevolgen van een overheidshandeling al dan niet buiten het normale maatschappelijke risico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de schade. De omstandigheid dat schade het gevolg is van een normale maatschappelijke ontwikkeling betekent niet dat de schade al om die reden sowieso binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Volgens de Raad van State kan op grond van de overgelegde foto’s niet zonder meer worden vastgesteld dat de eigenaar geen uitzichtschade heeft geleden. De minister dient dan ook alsnog te bepalen in hoeverre de door de eigenaar geleden schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Voor de beoordeling of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt, is volgens de Raad van State van belang, dat de ligging van een woning vlak bij een dijk, leidt tot een verhoogde kans op het ontstaan van uitzichtschade als gevolg van de ophoging van een dijk. Gelet op de eerder genoemde uitspraak van 9 april 2014 ligt het volgens de Raad van State in de rede een drempel van 5% te hanteren.

Wilt u meer weten over het indienen van of besluiten op een verzoek om nadeelcompensatie? Neem dan contact op met Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, advocaten bij Dirkzwager en gespecialiseerd in overheidsaansprakelijkheid.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen