U bent hier: Home > Algemeen > Procestactieken – misbruik van procesrecht
Procestactieken – misbruik van procesrecht

Procestactieken – misbruik van procesrecht

Hoewel het in civiele zaken dikwijls ‘om de centen’ gaat en de eisende partij er alles aan zal doen om de gedaagde te laten betalen, proberen sommige gedaagden daartegen – om hen moverende redenen – zoveel mogelijk vertragingstactieken uit om de procedure zo lang mogelijk te rekken. Bij deze vertragingstactieken ligt misbruik van procesrecht evenwel op de loer.

Voor de Rechtbank Utrecht speelde een zaak tussen O’Neill en Brunotti. In deze procedure stelde Brunotti een incidentele vordering ex artikel 843a Rv in met als doel O’Neill te laten veroordelen tot het verstrekken van afschriften dan wel het verlenen van inzage in diverse stukken omtrent – kort gezegd – de plaatsen en het moment waarop O’Neill is gestart met de verkoop van de Seb Toots jas van O’Neill.

O’Neill voerde tegen deze vordering primair aan dat “Brunotti daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat Brunotti met het instellen van het incident misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Volgens O’Neill heeft Brunotti het incident alleen opgeworpen om de procedure verder te vertragen, hoeft de vordering niet bij incident behandeld te worden en mist deze inhoudelijk iedere grondslag.

De rechtbank stelt voorop dat “bij het aannemen van misbruik van procesrecht terughoudendheid [past], gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 6 april 2012, LJN: BV7828, en Hoge Raad 29 juni 2007, LJN:BA3516).

Ter zake van de incidentele vordering van Brunotti stelt de rechtbank vervolgens vast dat de stelling van Brunotti, dat uit de door O’Neill ingenomen stellingen en overgelegde stukken niet volgt wie de Seb Toots jas heeft ontworpen, feitelijk onjuist is. O’Neill heeft immers een verklaring van de ontwerper van de jas in het geding gebracht. Bovendien heeft Brunotti de juistheid van die verklaring niet bestreden, zodat niet wordt betwist dat “een Nederlander of een in Nederland gevestigde onderneming de maker is van een auteursrechtelijk beschermd werk.” In zulke gevallen “is de Berner Conventie niet van toepassing, omdat dit verdrag alleen ziet op internationale situaties.” Zodoende is “de plaats en het moment van uitgeven van [de Seb Toots jas] volstrekt irrelevant (…)”.

Brunotti had dan ook op voorhand moeten begrijpen dat haar vordering kansloos was en heeft misbruik van procesrecht gemaakt, aldus de rechtbank. Bovendien meent de rechtbank dat het motief van Brunotti gelegen moet zijn in het vertragen van de onderhavige procedure tussen partijen, mede gelet op het feit dat Brunotti zich voorafgaande aan de procedure van bijstand door een advocaat had laten voorzien, desalniettemin geen advocaat stelde na dagvaarding door O’Neill en pas vlak voor de datum van het verstekvonnis dit verstek zuiverde en, nadat wederom zes weken waren verstreken waarin zij de gelegenheid kreeg voor het nemen van de conclusie van antwoord enkel de incidentele conclusie ex 843a Rv nam. Brunotti heeft op deze wijze de procedure 22 weken weten te vertragen, aldus de rechtbank, hetgeen “een onaanvaardbare vertraging oplevert die gelet op het bewuste karakter daarvan niet zonder gevolgen kan blijven.”

De rechtbank oordeelt vervolgens dat Brunotti “door het gepleegde misbruik van procesrecht (…) geen rechtens te respecteren [heeft] belang bij behandeling van de incidentele vordering, zodat Brunotti niet ontvankelijk in haar incidentele vordering zal worden verklaard.

Bovendien verbindt de rechtbank ook een sanctie aan dit misbruik van procesrecht zijdens Brunotti. De door O’Neill gevorderde verleningen van een akte niet dienen aan Brunotti, acht de rechtbank in dit geval een te zwaar middel “omdat daarmee feitelijk een einde wordt gemaakt aan het debat in de hoofdzaak en aan Brunotti één feitelijke instantie wordt ontnomen.”  Wel kort de rechtbank de termijn voor het nemen van de conclusie van antwoord zijdens Brunotti in van zes tot twee weken. Bovendien waarschuwt de rechtbank Brunotti:  “Ook in het vervolg van de procedure zal de rechtbank geen enkele vertraging van de procedure door Brunotti dulden. Indien nodig zal zij maatregelen nemen om dat te voorkomen (artikel 20 Rv).”

Ik ben van oordeel dat – gezien de door de rechtbank vastgestelde feiten – de rechtbank hier een alleszins begrijpelijk vonnis heeft geveld. Een advocaat staat uiteraard pal voor de belangen van zijn cliënt, maar dient daarbij niet de (wettelijke) waarborgen tegen onredelijke vertraging van het geding uit het oog te verliezen, niet in de laatste plaats omdat dit ook zeker in het nadeel van zijn eigen cliënt kan uitpakken.

Charlotte Raaimakers, advocaat Overheid & Vastgoed

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen