U bent hier: Home > Onteigening en Wvg > Onteigening gemeente Haarlemmermeer: rol van deskundigen, omvang verwijzingsgeding en voortgezet gebruik
Onteigening gemeente Haarlemmermeer: rol van deskundigen, omvang verwijzingsgeding en voortgezet gebruik

Onteigening gemeente Haarlemmermeer: rol van deskundigen, omvang verwijzingsgeding en voortgezet gebruik

De Hoge Raad heeft in zijn (art. 81 RO-)arrest van 21 september 2012 het cassatieberoep ongegrond verklaard dat was gericht tegen het oordeel van de verwijzingsrechter dat na verwijzing de totale bijkomende schade uitgaande van stagnatie nader moest worden begroot, en dat er geen ruimte was om opnieuw te bezien op welke grondslag de bijkomende schade moest worden gebaseerd.

De casus
Het arrest van 21 september 2012 is een vervolg op het arrest HR 27 oktober 2006 (onteigening gemeente Haarlemmermeer). In dat arrest had de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte bij de vaststelling van de vergoeding voor de bijkomende schade rekening had gehouden met het voortgezet gebruik van het onteigende door de onteigende tot 15 januari 2004, terwijl dat voortgezet gebruik niet vóór de datum van het vonnis van vervroegde onteigening is aangeboden. Ook de klacht over de beperking van de renteschade vanwege het voortgezet gebruik slaagde, omdat de rechtbank het voordeel als gevolg van voortgezet gebruik al bij de bepaling van de stagnatieschade als onderdeel van de bijkomende schade had verdisconteerd.

Het Hof Amsterdam heeft als verwijzingsrechter opnieuw over de bijkomende schade geoordeeld. Daarbij meende het Hof, anders dan de gemeente, dat uit de overwegingen van de Hoge Raad niet bleek dat de vernietiging van het oordeel van de rechtbank beperkt was tot de post stagnatieschade als onderdeel van de bijkomende schade. Het hof heeft deskundigen benoemd en hen opdracht gegeven de schadeloosstelling van de totale bijkomende schade nader te begroten, zonder rekening te houden met voortgezet gebruik, dus uitgaande van stagnatie van de onderneming van de onteigende op 4 april 2003. Het hof verwierp het standpunt van de onteigende dat tevens opnieuw moet worden bezien welke grondslag gehanteerd dient te worden voor de waardering van de bijkomende schade: het geding na verwijzing na cassatie bood volgens het hof in dit geval die ruimte niet.

In cassatie had de onteigende aangevoerd dat het hof had miskend dat het als onteigeningsrechter gehouden was zelfstandig een onderzoek in te stellen naar de schadeloosstelling. Het hof had volgens de klacht niet alleen de schadeloosstelling vastgesteld aan de hand van het advies van de deskundigen maar dit advies ook tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de door onteigende daartegen aangevoerde bezwaren. Daarmee heeft het hof, aldus het onderdeel, blijk gegeven van een benadering dat de advisering van deskundigen in beginsel zou moeten worden gevolgd, tenzij het daartegen aangevoerde bezwaar het hof tot een ander oordeel zou hebben gebracht. En dat vond de onteigende een onjuiste benadering, die niet strookt met de zelfstandige taak van de onteigeningsrechter de schadeloosstelling te begroten.

De advocaat-generaal vindt deze klacht te vaag en daarmee ongegrond. Ten overvloede wijdt zij interessante overwegingen aan de taak en rol van deskundigen en van de verwijzingsrechter.

Rol deskundige
De rol van deskundigen in een onteigeningsprocedure is wezenlijk anders dan in een civiele procedure. Het deskundigenadvies in een onteigeningsprocedure is een advies aan de rechtbank in het kader van de wettelijke taak van de onteigeningsrechter om een schadeloosstelling te begroten. Het is geen bewijsmiddel in het kader van de beoordeling door de rechter van de stellingen van partijen. Op grond van art. 32 Ow zijn de formaliteiten van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing op de benoeming en het horen van de deskundigen in een onteigeningsprocedure. De regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn wel van toepassing op het vervolg van de procedure tot schadeloosstelling na benoeming en het horen van de deskundigen, zoals bijvoorbeeld het recht van partijen op hoor en wederhoor en de motiveringsplicht van de rechter bij de vaststelling van de schadeloosstelling.
De benoeming van deskundigen doet volgens de a-g niet af aan de verplichting van de onteigeningsrechter zelfstandig onderzoek te doen naar de aan de onteigende en eventueel derde belanghebbenden toekomende schadeloosstelling. De rechter bedient zich bij deze beoordeling van het deskundigenadvies maar is niet gebonden aan het oordeel van de deskundigen. De rechter mag zich uiteraard wel verenigen met het oordeel van de deskundigen in het advies.

De advocaat-generaal merkt nog op dat het hof in geen enkele rechtsoverweging tot uitgangspunt heeft genomen dat het zich gebonden achtte aan het deskundigenadvies.

Taak verwijzingsrechter
Naar aanleiding van de klacht dat het uitgangspunt dat de bijkomende schade in zijn totaliteit opnieuw moet worden begroot, meebrengt dat ook de waarderingsgrondslag op de peildatum onverkort moet worden beoordeeld zonder rekening te houden met feitelijk genoten voortgezet gebruik, bespreekt de advocaat-generaal de taak van de verwijzingsrechter.  Zij wijst op het volgende.

Ook in een onteigeningsgeding geldt naar vaste rechtspraak dat na verwijzing door de Hoge Raad de verdere behandeling en beslissing dient te geschieden binnen de door het verwijzingsarrest getrokken grenzen. Dit brengt in grote lijnen mee dat de verwijzingsrechter gebonden is aan:

  • de uitspraak van de Hoge Raad inclusief diens oordelen, uitleg van de gedingstukken en overwegingen welke geschilpunten in het verwijzingsgeding nog moeten worden behandeld en beslist;
  • de in cassatie tevergeefs bestreden beslissingen; deze zijn onaantastbaar geworden door het arrest van de Hoge Raad;
  • de in cassatie niet bestreden oordelen en (eind)beslissingen in de vernietigde uitspraak; deze hebben kracht van gewijsde gekregen.

De verwijzingsrechter is daarentegen niet gebonden aan:

  • de vernietigde beslissingen alsmede de daarmee onverbrekelijk samenhangende beslissingen en daarop voortbouwende beslissingen;
  • beslissingen waarover wel in cassatie is geklaagd, maar waaraan door de Hoge Raad geen overweging is gewijd;
  • voorlopige beslissingen of overwegingen ten overvloede.

De omvang van het verwijzingsgeding zal verder moeten worden beoordeeld met behulp van de uitleg van de vernietigde uitspraak en van de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad aan de hand van de aangevoerde middelen. De uitleg van de gedingstukken in het kader van dit onderzoek is feitelijk en kan in cassatie derhalve slechts beperkt worden getoetst.

Voortgezet gebruik en renteschade
De onteigende heeft ook een aantal klachten gericht tegen de rechtsoverwegingen waarin het hof de renteschade door het gemis aan vergoeding voor stagnatieschade tussen de onteigening op 4 april 2003 en het voortgezet gebruik tot 15 januari 2004 heeft beoordeeld.

Onteigende maakte bezwaar tegen de toegepaste verrekening omdat door de Hoge Raad in het arrest van 27 oktober 2006 was overwogen dat het schadebeperkend aanbod buiten beschouwing moet worden gelaten. Naar het oordeel van het hof miskende onteigende dat de Hoge Raad heeft overwogen dat het schadebeperkend aanbod bij de begroting van de bijkomende schade buiten beschouwing dient te worden gelaten. De door de deskundigen toegepaste verrekening betrof niet de begroting van bijkomende schade, maar de begroting van de schade die onteigende heeft geleden omdat hij op de onteigeningsdatum niet kon beschikken over de volledige vergoeding van die schade. Het daaruit ontstane nadeel kan, anders dan de begroting van de bijkomende schade, worden gecompenseerd door voordeel dat de onteigende heeft genoten uit hoofde van voortgezet gebruik van het onteigende. Dat strookt volgens het Hof met de overweging van de Hoge Raad dat de onteigeningsrechter kan oordelen dat dit nadeel geheel of ten dele kan worden goedgemaakt door het voordeel dat de onteigende gedurende de periode tussen de inschrijvingsdatum en het in artikel 54t Ow bedoelde vonnis toevalt wegens voortgezet gebruik om niet van het onteigende. De overweging van de Hoge Raad, dat voor een dergelijk oordeel geen ruimte is waar het genoemde voordeel reeds bij de stagnatieschade als onderdeel van de bijkomende schade is verdisconteerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu immers een dergelijke verrekening in deze zaak niet zal plaatsvinden.

Volgens de advocaat-generaal kunnen deze klachten niet slagen nu zij uitgaan van een onjuiste lezing van het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2006. Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat nu de Hoge Raad in dat arrest heeft geoordeeld dat bij de begroting van de bijkomende schade geen rekening mag worden gehouden met het voordeel dat onteigende heeft genoten als gevolg van voortgezet gebruik van het onteigende tot 15 januari 2004, heeft te gelden dat het voordeel dat hij heeft genoten uit voortgezet gebruik ook niet mag worden verrekend met de renteschade die hij heeft geleden. De advocaat-generaal meent dat het hof op juiste gronden en voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld, dat uit het arrest van de Hoge Raad slechts voortvloeide dat de rechtbank geen verrekening van de renteschade met het voordeel uit voortgezet gebruik mocht toepassen omdat het voordeel uit voortgezet gebruik reeds was verdisconteerd bij de begroting van de bijkomende schade. In de procedure na verwijzing heeft het hof het voordeel uit voortgezet gebruik niet betrokken bij de begroting van de bijkomende schade en was het om die reden dan ook vrij om het door onteigende genoten voordeel wél te betrekken in de verrekening met de renteschade.  

De Hoge Raad heeft met toepassing van art. 81 RO het cassatieberoep verworpen, dus is het kennelijk met deze overweging van het hof eens.

Heeft u vragen over onteigening? Bel of e-mail met mr. Hanna Zeilmaker, onteigeningsadvocaat

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen