U bent hier: Home > Huurrecht > Bijstandsfraude: huurovereenkomst en huurbetaling onvoldoende bewijs voor feitelijke bewoning op opgegeven adres
Bijstandsfraude: huurovereenkomst en huurbetaling onvoldoende bewijs voor feitelijke bewoning op opgegeven adres

Bijstandsfraude: huurovereenkomst en huurbetaling onvoldoende bewijs voor feitelijke bewoning op opgegeven adres

Het overleggen van een huurovereenkomst en het tonen van een kwitantie van huurbetaling vormen voor de Centrale Raad van Beroep onvoldoende bewijs voor het aantonen dat appellant op het opgegeven adres woonachtig is.

De zaak
De heer A ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Nadat hij aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente een verhuizing had doorgegeven, stelt deze afdeling een onderzoek in. Het college van burgemeester en wethouders heeft immers op grond van de wet een bevoegdheid om de uitkering in te trekken indien niet kan worden vastgesteld of iemand nog bijstandbehoevend is, doordat degene onvoldoende of onjuiste informatie heeft verstrekt. Uit het onderzoek wordt onvoldoende duidelijk dat de heer A woonachtig is op het nieuwe opgegeven adres en het college besluit de uitkering op basis hiervan in te trekken. Bij het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen is het college dus bevoegd om een bijstandsuitkering in te trekken en eventueel de ontvangen uitkering terug te vorderen. Tegen dit besluit gaat de heer A in bezwaar en uiteindelijk zelfs in beroep. Zowel het bezwaar als het beroep van A wordt ongegrond verklaard. In hoger beroep buigt de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) zich over de zaak.

Feitelijk woonachtig
De heer A voert aan (evenals in beroep) dat het feit dat hij verhuisd is onvoldoende rechtvaardiging vormt voor het instellen van een onderzoek door de gemeente. De Centrale Raad vindt evenals de rechtbank wel te rechtvaardigen dat de gemeente een onderzoek heeft ingesteld naar de feitelijke verblijfplaats van de heer A. De Centrale Raad onderbouwt dit oordeel onder meer met gegevens uit het onderzoeksrapport, waaruit blijkt dat de heer A van een zelfstandige woonruimte naar een kamer in een woning is verhuisd en dat op datzelfde adres nog tien andere personen staan ingeschreven.

Voor de beantwoording van de vraag of de heer A feitelijk woonachtig is op het (nieuw) opgegeven adres, wordt in eerste instantie gekeken of er persoonlijke spullen van de heer A aanwezig zijn, zoals kleding, etenswaren, toiletspullen en administratieve bescheiden. Deze zaken zijn vrijwel niet aangetroffen en de heer A heeft hier ook geen sluitende verklaring voor. Daarnaast was de kamer niet afgesloten en had de heer A geen sleutel van de toegangsdeur van de kamer. Tenslotte kon de heer A geen verklaring geven voor het feit dat zijn inboedel nog op zijn oude adres is achtergebleven. Dat de heer A aanvoert te staan ingeschreven op het adres in de gemeentelijke basisadministratie, een huurovereenkomst te hebben en de huur te betalen, geven aanwijzingen dat het gaat om een woonadres, maar zijn onvoldoende voor de gevolgtrekking dat de heer A ook daadwerkelijk hier woont.

Wat kan Dirkzwager voor u betekenen?
Bij mogelijke uitkeringsfraude is een goed onderzoek naar de werkelijkheid onmisbaar. Wij adviseren gemeenten op basis van de onderzochte feiten en omstandigheden geregeld over de haalbaarheid van een besluit tot intrekking van de uitkering en terugvordering van genoten gelden. Daarnaast leggen wij geregeld conservatoir verhaalsbeslag voor gemeenten ter zekerheid van de terug te ontvangen uitkeringen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen