U bent hier: Home > Onteigening en Wvg > Financieel belang geen reden voor schorsing gedoogplicht Waterwet
Financieel belang geen reden voor schorsing gedoogplicht Waterwet

Financieel belang geen reden voor schorsing gedoogplicht Waterwet

Op 26 juli 2012 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een verzoek om voorlopige voorziening over een opgelegde gedoogplicht op grond van de Waterwet afgewezen. Het betreft de gedoogplicht op grond van art. 5.24 Waterwet, die aan de eigenaar van een perceel grasland was opgelegd in verband met de verbreding van een watergang in de Zuidplaspolder, en waarover de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam op 2 november 2011 in beroep uitspraak had gedaan.

In de uitspraak van 2 november 2011 (LJN BU3686) had de voorzieningenrechter kort samengevat geoordeeld dat de gedoogplicht wel leidt tot een beperking in het eigendomsrecht, maar die is in het algemeen belang en onder de voorwaarden van de wet. Ten aanzien van de vraag of onteigening niet noodzakelijk is stelde de voorzieningenrechter voorop dat de door de rechter aan te leggen toets, gelet op de bewoordingen van art. 5.24 Waterwet, een terughoudende is, en was het oordeel dat nu de benodigde oppervlakte in verhouding tot de totale oppervlakte van het perceel relatief gering is (2,26 %) het Hoogheemraadschap heeft kunnen oordelen dat onteigening niet nodig was.
De rechthebbende op het perceel heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, en heeft vervolgens in juni 2012 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In dit verzoek heeft de rechthebbende ten grondslag gelegd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het Hoogheemraadschap de onteigeningsprocedure had moeten toepassen. Daartoe voerde zij aan dat de onteigeningsprocedure meer waarborgen biedt dan artikel 5.24 van de Waterwet. In dat verband wees zij er op dat de onteigeningsprocedure een volledige schadeloosstelling kent die ook vooraf is verzekerd.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak maakt korte metten met het verzoek. Volgens de Voorzitter is het belang van de eigenaar van het perceel in deze procedure vooral een financieel belang gelegen in de wens om volledig schadeloos te worden gesteld. Dit belang noodzaakt volgens de Voorzitter niet tot de verzochte schorsing, omdat dit belang bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure volledig aan de orde kan komen. Hiertegenover staat het belang van het college om de voor de verbreding vereiste werkzaamheden te kunnen uitvoeren en gevrijwaard te blijven van vertragingsschade.

De les die uit deze (eerste) Voorzittersuitspraak over de gedoogplicht op grond van de Waterwet kan worden getrokken is een verzoek om schorsing of voorlopige voorziening niet zal worden toegewezen op grond van argumenten van financiële aard.
Interessant blijft natuurlijk hoe de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep zal oordelen over deze gedoogplicht die feitelijk leidt tot volledige ontneming van een perceelsgedeelte van 2.251 m2, terwijl de rechthebbende is aangewezen op de nadeelcompensatieregeling van art. 7.14 Waterwet, dus hoe dan ook op een (niet per definitie volledige) schadevergoeding achteraf. Wordt vervolgd!

Heeft u vragen over onteigening? Bel of mail met Hanna Zeilmaker, onteigeningsadvocaat

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen