U bent hier: Home > Algemeen > Dijkverschuiving Wilnis – deel 3
Dijkverschuiving Wilnis – deel 3

Dijkverschuiving Wilnis – deel 3

Op 17 april 2012 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage in de bekende Wilnis-zaak een tussenarrest gewezen en daarbij nader onderzoek bevolen naar de dijkverschuiving. Voordat ik toekom aan een bespreking van dit arrest, volgt eerst een korte samenvatting van de zaak tot nu toe.

Dijkdoorbraak
In de nacht van 25 op 26 augustus 2003 is een gedeelte van de kade (een veendijk), gelegen tussen de polder Groot – Mijdrecht en de omliggende ringvaart verschoven in de richting van het achterliggende land, waaronder de woonwijk Veenzijde 1 te Wilnis. Hierdoor is het achterland overstroomd en is er schade ontstaan, waarvoor de gemeente Wilnis de eigenaar en beheerder van de kade, het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, aansprakelijk stelt. De gemeente legt aan haar vordering op het Hoogheemraadschap primair ten grondslag de opstalaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:174 BW.

Hoge Raad
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 december 2010 – kort samengevat – geoordeeld dat de omstandigheid dat een opstal voldoet aan de geldende veiligheidsvoorschriften, niet in de weg staat aan het oordeel dat de opstal gebrekkig is in de zin van artikel 6:174 BW. De vraag of een opstal gebrekkig is, hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de aard en de functie van de opstal, de toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden. Ook moet de grootte van de kans op verwezenlijking van het gevaar en de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen daartegen in aanmerking worden genomen en, bij overheidsaansprakelijkheid, de aan overheden toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande middelen. Zie het artikel van mijn collega Hanna Zeilmaker.

In het specifieke geval van de dijkverschuiving in Wilnis stelt de Hoge Raad dat daarbij – onder meer – gelet moet worden op de naar objectieve maatstaven te meten kenbaarheid van zowel het gebrek als het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving bezien in het licht van de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de (technische) mogelijkheid tot het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage na terugverwijzing door de Hoge Raad
Na terugverwijzing van de zaak door de Hoge Raad naar het gerechtshof ’s-Gravenhage, heeft dit gerechtshof op arrest van 17 april 2012 een tussenarrest gewezen. Het gerechtshof stelt vast dat de Hoge Raad meent dat het enkele feit dat de kade is verschoven in het algemeen voldoende zal zijn voor de aanname van het vermoeden dat de kade niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door het Hoogheemraadschap te leveren tegenbewijs.

Hiervoor zagen we reeds dat bij de vraag of een opstal gebrekkig is, mede een rol speelt of de het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving naar die stand van de wetenschap bekend waren.

Het gerechtshof stelt voorop dat van het hoogheemraadschap weliswaar verwacht mag worden dat zij zich op de hoogte houdt van de ontwikkelingen binnen de relevante wetenschappelijke inzichten, maar dat zij niet zelf onderzoek of veldexperimenten dient uit te voeren naar mogelijke faalfactoren van waterkeringen noch dat zij onmiddellijk beleidsmatige consequenties dient te trekken uit nieuwe wetenschappelijke theorieën en modellen die binnen het betreffende vakgebied niet voldoende zijn getoetst en aanvaard. Ook oordeelt het gerechtshof dat het hoogheemraadschap vanwege eindigende financiële mogelijkheden een redelijke termijn moet worden gegund om de nieuwe verworvenheden en inzichten geleidelijk in de praktijk te brengen en te onderwerpen aan prioriteitstelling.

Vervolgens onderzoekt het gerechtshof wat de stand van de wetenschap was ter zake van veendijken die blootstonden aan langdurige droogte. Het gerechtshof komt daarbij tot het oordeel dat op het moment van de dijkverschuiving niet bekend was dat langdurige droogte een risico kon vormen voor (veen)kades en dat de kade daarom niet (langer) voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen.

Na deze vaststelling komt het gerechtshof toe aan de vraag of de dijkverschuiving in Wilnis is veroorzaakt door de langdurige droogte. De gemeente bestrijdt dat dit het geval is en voert aan, onder overlegging van een deskundigenrapport, dat het voorval is gebeurd omdat de sterkte van de kade onvoldoende was voor de belasting, wat zou komen omdat het hoogheemraadschap niet tijdig het contragewicht van de kade voldoende groot heeft gemaakt. Daarnaast heeft de gemeente tegen het door het hoogheemraadschap overgelegde deskundigenrapport van GeoDelft ingebracht dat er gebreken kleven aan het laboratoriumonderzoek dat door GeoDelft is uitgevoerd en dat het horizontale glijvlak van de verschuivende kade niet op NAP 09,0 meter ligt maar op NAP -6,5 meter; De gemeente heeft ter zake van deze laatste stelling aangevoerd dat een ter plaatse aanwezige ingenieur als getuige kan verklaren dat hij op NAP -6.5 meter een afschuifvlak heeft gezien.

Nadat het hof heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat er voorafgaand aan de dijkverschuiving sprake was van een extreme droogte, biedt het gerechtshof de gemeente de gelegenheid om de volgens haar aanwezige ingenieur te laten horen over de vraag of hij op NAP -6,5 meter een afschuifvlak heeft gezien. Daarnaast acht het gerechtshof het noodzakelijk dat nader wordt onderzocht of het laboratoriumonderzoek van GeoDelft en de mede op grond daarvan uitgevoerde berekeningen volgens de regelen der kunst zijn uitgevoerd en of daarbij van juiste uitgangswaarden is uitgegaan.

Dus wederom: wordt vervolgd.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen