U bent hier: Home > Bezit en verjaring > Wanneer is er sprake van inbezitneming van grond?
Wanneer is er sprake van inbezitneming van grond?

Wanneer is er sprake van inbezitneming van grond?

Onrechtmatig grondgebruik is een veel voorkomend verschijnsel in Nederland. Op grote schaal gebruiken personen grond die niet tot hun eigendom behoort en waarvoor ze geen toestemming hebben van de eigenaar om deze grond te gebruiken. Wanneer dit gebruik duidelijk en permanent wordt dan kan sprake zijn van inbezitneming. Ondanks het recht van de eigenaar wordt de gebruiker dan bezitter van de grond. Na verloop van tijd kan deze bezitter door verjaring zelfs van rechtswege eigenaar van de grond worden. Zie hiervoor verschillende artikelen elders op deze kennispagina. Maar wanneer is er nu sprake van inbezitneming? Deze vraag zal ik in dit artikel proberen te beantwoorden.

Wettelijk kader
In titel 5 van boek 3 BW zijn de wettelijke grondbepalingen omtrent houderschap en bezit opgenomen. Artikel 3:107 BW behandelt beide gebruiksvormen;
      a.) Bezit is het houden van een goed voor zichzelf.
      b.) Bezit is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt.
      c.) Bezit is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt.
      d.) Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of middellijk.

Houden is dus het beginpunt; bezitten is vervolgens het houden van een goed voor zichzelf. Houderschap wordt niet in de wet gedefinieerd maar wijst volgens artikel 3:108 BW op de feitelijke macht die een persoon over een zaak uitoefent. Houderschap kan ontstaan uit een vastgelegde rechtsverhouding (denk aan een huurder of pachter), of door feitelijke handelingen (denk aan een joyrider). Nu houderschap duidt op het uitoefenen van feitelijke macht, kan bezit als specialis worden beschouwd; het uitoefenen van de feitelijke macht voor zichzelf. Bij bezit is de suggestie van een houden voor zichzelf vereist om aan deze gekwalificeerde vorm van houderschap te voldoen. Hoe bezit wordt verkregen is gegeven in artikel 3:112 BW; dit geschiedt door inbezitneming, door overdracht, danwel door opvolging onder algemene titel. Het is de eerste verkrijgingwijze die in het bijzonder van toepassing is op verjaring van eigendomsvorderingen en die in dit artikel wordt besproken.

Inbezitneming
Inbezitneming kent gezien artikel 3:113 lid 1 BW een tweeledige definitie. Ten eerste neemt men een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Hieraan wordt in het tweede lid toegevoegd dat wanneer het goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende zijn. Feitelijke macht moet naar verkeersopvatting worden beoordeeld. Het betreft de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de gebruiker. Hierbij moet naar objectieve maatstaven worden geoordeeld of een eigendomsvermoeden redelijk is. De schijn die hier wordt gewekt, staat los van de daadwerkelijke juridische eigendomssituatie. Het tweede lid vereist nadrukkelijk een beoordeling van de feiten die zich voortdoen in de specifieke situatie.

In de jurisprudentie zijn vele omstandigheden langsgekomen bij verweren dat een vordering tot ontruiming van grond was verjaard. Een aantal voorbeelden: Zeer recent werden het aanleggen en het onderhouden van een moestuin en een siertuin, alsmede het onderhoud van een heg, in samenhang, volgens de rechtbank Dordrecht aangemerkt als een zodanige machtsuitoefening dat deze als inbezitneming moest worden aangemerkt. Het gebruik van een strook grond als tuin, door deze te beplanten, te onderhouden, een tuinpad aan te leggen en te gebruiken werd niet als inbezitneming aangemerkt nu deze handelingen ook door een huurder konden worden verricht volgens het hof ’s-Gravenhage. De eigendomspretentie ontbrak waardoor de gebruiker ten hoogste houder en geen bezitter kon zijn. Tevens sprak de verweerder in deze zaak over een gedogen door de eigenaar, waarmee het hof concludeerde dat hij zichzelf evenmin als bezitter oftewel houder voor zichzelf zag.

In vergelijkbare jurisprudentie van de Hoge Raad werd het plaatsen van een schutting, in samenhang met verrichte werkzaamheden zoals het opruimen van het terrein, het zaaien van gras, het planten van bomen, het plaatsen van bielzen alsmede het later vervangen van het gras door stoeptegels niet als inbezitneming aangemerkt nu de eigenaar via een nooduitgang in de schutting nog altijd toegang tot het betreffende stuk grond had. Het frequent rijden over een stuk grond en het (laten) parkeren van auto’s worden door de Hoge Raad niet als daden van eigendomspretentie gezien, nu dit ook op andere rechtsgronden dan een (gepretendeerd) eigendomsrecht kan plaatsvinden. Hierbij wordt opgemerkt dat het betreffende pad niet was afgesloten voor derden of voorzien van een bord met eigendomspretentie. In deze uitspraak voegt de Hoge Raad hieraan toe dat het niet afsluiten van een stuk grond niet meteen leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van inbezitneming. Met andere woorden: ook zonder permanente afsluiting van een stuk grond kan inbezitneming worden aangenomen. Wanneer dit wel het geval is dan is dit een echter een zeer sterke indicatie van inbezitneming. Naast de machtsuitoefening van de gebruiker is het dus zeer van belang de positie van de eigenaar mede te beoordelen, het bezit van deze eigenaar moet nadrukkelijk teniet zijn gegaan.

Moment van inbezitneming
Bij inbezitneming van een onroerende zaak is voorts van belang dat dit vaak geen eenmalige of gelijk voortdurende situatie betreft. Met andere woorden: de uitoefening van de feitelijke macht blijkt uit een situatie die met verloop van tijd verandert. Het gebruik van grond kan bijvoorbeeld beginnen als het onderhouden van een perceel openbaar groen maar kan gaandeweg veranderen wanneer een pad op dit perceel wordt gerealiseerd en wanneer een heg wordt geplant en vervolgens een muurtje wordt opgetrokken om het pad en perceel af te schermen. Voor inbezitneming moet een moment zijn aan te wijzen waarop het bezit van de eigenaar wordt beëindigd en het bezit van de gebruiker aanvangt. In het genoemde voorbeeld zal dit vermoedelijk pas kunnen gebeuren op het moment dat het perceel is afgesloten van de openbare ruimte en dus niet meer toegankelijk is voor de eigenaar. Op dat moment verliest de eigenaar de feitelijke macht over zijn grond. Een zeer dichte heg kan hier voldoende voor zijn, maar een muur zonder toegangsmogelijkheden is dat zeker. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met het verbod van interversie. Dit houdt in dat houderschap slechts zeer beperkt kan overgaan in bezit.

Conclusie
Inbezitneming moet worden aangenomen wanneer feitelijke handelingen een eigendomspretentie van de gebruiker aantonen. Deze handelingen moeten voortdurend zijn, en dus niet incidenteel. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad is inbezitneming van grond door een gebruiker pas met zekerheid aan de orde wanneer vrije toegang voor de eigenaar nadrukkelijk is verhinderd. Als dat niet het geval is kan in sommige gevallen echter met een samenhang van andere omstandigheden worden volstaan. Blijkens de uitspraak waarin de nooduitgang aanname van bezit verhinderde, kan bezit echter slechts zeer beperkt worden aangenomen wanneer de eigenaar nog toegang heeft tot het perceel. In die uitspraak waren vele bezitshandelingen immers niet voldoende om te ondervangen dat er nog steeds toegang tot het perceel was.

Hiernaast moet een duidelijk moment zijn aan te wijzen waarop het bezit ontstond. Indien eerst houderschap ontstaat geldt het verbod van interversie, (houderschap kan niet “zomaar” overgaan in bezit) waardoor (bijna) geen bezit kan ontstaan. Inbezitneming van grond wordt aldus zeer streng getoetst en slechts betrekkelijk zelden daadwerkelijk aangenomen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen